Verklarende woordenlijst
|
|
|
a -
b -
c -
d -
e -
f -
g -
h -
i -
j -
k -
l -
m -
n -
o -
p -
r -
s -
t -
u -
v -
w -
z
|
 |
|
| |
|
Aarde
| |
De Aarde is één van de acht planeten van ons zonnestelsel. Vanaf
de Zon gezien is de Aarde de derde planeet. Om de Aarde draait één
satelliet die we de Maan noemen. De Aarde is de enige planeet waarvan
we weten dat er leven op voorkomt.
|
|
| |
|
aardbaan
| |
Zie planeetbaan.
|
|
| |
|
aardse planeet
| |
Een aardse planeet (ook wel rotsplaneet genoemd) is een planeet die uit vaste rots
bestaat en qua samenstelling, afmetingen en massa op de Aarde lijkt. De aardse planeten in ons
zonnestelsel zijn Mercurius,
Venus, de Aarde en
Mars. De Aarde is de grootste van deze
vier planeten en een stuk kleiner dan de gasplaneten. De aardse planeten bevinden
zich bovendien dichter bij de Zon.
|
|
| |
|
aberratie
| |
De aberratie is het verschijnsel dat licht niet exact van de bron lijkt te komen voor een bewegende waarnemer. Vergelijk
dit met iemand die een sneeuwbal van een viaduct op een passerende auto laat vallen: door de snelheid van de auto lijkt
voor de automobilist de sneeuwbal schuin van voren te komen, in plaats van exact van boven. Hetzelfde geldt voor een
lichtstraal van een verre ster die in een telescoop van een waarnemer op Aarde valt.
Door de beweging van de Aarde om de Zon, met zo'n
30 km/s, lijkt het licht meer van 'voren'
(de richting waarin de Aarde beweegt) te komen en daarvoor moet worden gecorrigeerd wanneer men precieze
geocentrische posities van zowel objecten in het zonnestelsel
als 'vaste' objecten wil berekenen. (De aberratie voor sterren waargenomen op Aarde is veel
kleiner dan die van een sneeuwbal waargenomen door een automobilist, doordat het licht vele malen sneller beweegt dan de Aarde,
terwijl een sneeuwbal die van een viaduct valt langzamer beweegt dan een auto).
|
|
| |
|
afplatting
| |
De afplatting van een planeet is de grootheid die aangeeft in hoeverre de vorm van de planeet
afwijkt van een bol. Door de rotatie is een planeet vaak een beetje afgeplat aan de polen en stulpt deze uit aan de equator.
Deze vorm van een afgeplatte bol wordt oblate ellipsoïde genoemd. Een planeet met een afplatting gelijk aan nul
is een perfecte bol, hoe dichter de afplatting bij één ligt, des te 'platter' is de planeet. Voor de planeten
in ons zonnestelsel is het effect van afplatting het grootst bij de planeet
Jupiter, door
de grote afmetingen en de snelle rotatie van deze planeet. Afplattingen van de gasplaneten zijn
over het algemeen groter dan die van de aardse planeten. De afplattingen van de verschillende
planeten zijn te vinden in de kolom "e" van de tabel
Gegevens van de planeten.
De afplatting van een planeetbaan wordt excentriciteit genoemd.
|
|
| |
|
afstand
| |
Zie schijnbare afstand.
|
|
| |
|
analemma
| |
Een analemma is de figuur die bijvoorbeeld wordt verkregen door op iedere dag van het jaar om 12 uur 's middags een foto van de
zuidelijke hemel te maken (dus met de Zon erop), en al die foto's tot één afbeelding te
verwerken. De positie van de Zon variëert in hoogte door de seizoenen en in horizontale positie doordat de aardbaan
elliptisch is, waardoor een zonnedag niet altijd even lang is. De combinatie van de horizontale
en verticale beweging resulteert in een figuur in de vorm van het cijfer 8. De horizontale as van een analemma wordt vaak
aangeduid in graden (net als de verticale as), maar ook in het aantal minuten dat de Zon vroeger of later
door het zuiden trekt dan gemiddeld; de zogenaamde tijdsvereffening.
Voorbeelden van analemma's zijn te vinden op de pagina analemma.
|
|
| |
|
anomalistische maand
| |
De anomalistische maand is de tijdspanne tussen tweemaal dezelfde apside van de
Maan (twee perigea of apogea). De anomalistische
maand duurt gemiddeld circa 27,554 550 dagen en wordt iedere 1000 jaar ongeveer 0,9
seconden korter. Zie ook andere definities van het woord maand.
|
|
| |
|
aphelium
| |
Het punt van de elliptische baan van een planeet, planetoïde of
periodieke komeet, dat het verst van de Zon ligt.
De Aarde staat rond 4 juli in het aphelium, zodat de Zon dan kleiner lijkt dan gemiddeld
(Grieks: apo: veraf, Helios: Zon).
Daarnaast is de baanbeweging van een planeet in het aphelium langzamer dan gemiddeld.
Gegevens van het aphelium voor iedere planeet zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
Zie ook: perihelium.
|
|
| |
|
apogeum
| |
Het punt van de elliptische baan van de Maan of een kunstsatelliet,
dat het verst van de Aarde ligt en dus een apside.
Wanneer de Maan in het apogeum staat, staat deze verder weg en heeft een kleinere schijnbare diameter
(Grieks: apo: veraf, Gaia: Aarde). Daarnaast is de baanbeweging van de Maan in het perihelium sneller dan gemiddeld. De periode
tussen twee apogea heet de anomalistische maand. Gegevens van het apogeum van de Maan zijn te vinden in de tabel
verschijnselen van de Maan.
Zie ook: perigeum.
|
|
| |
|
apside
| |
Een apside of apsis is een van de twee extreme punten van de elliptische baan van een
hemellichaam,
ofwel het punt dat het dichtste bij (peri-) het omcirkelde object ligt, ofwel het punt dat daar het verst vandaan
(apo-) ligt. Bij een object dat om de Zon draait spreken we van perihelium en
aphelium, bij de Aarde van perigeum en apogeum
en in een dubbelster van periastron en apastron.
Gegevens van de apsiden voor iedere planeet zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen, en voor
de Maan in de tabel verschijnselen van de Maan.
|
|
| |
|
asterisme
| |
Een asterisme is een compacte verzameling van sterren die niet fysiek bij elkaar horen, zoals
dat wel het geval is bij een sterhoop, maar toevallig in dezelfde richting aan de hemel staan.
Asterismen vallen onder de deepsky-objecten.
|
|
| |
|
asteroïde
| |
Onjuiste benaming voor planetoïde.
|
|
| |
|
astronomische eenheid
| |
De astronomische eenheid (A.E.; Engels: astronomical unit, A.U.) is een afstandsmaat die wordt gebruikt om afstanden binnen het
zonnestelsel aan te geven. 1 A.E. is de (gemiddelde) afstand van de Aarde
tot de Zon, ongeveer 149,6 miljoen km (149.600.000 km). Om grotere afstanden aan te geven wordt meestal
het lichtjaar of de parsec gebruikt. Er gaan ongeveer 63.240 A.E. in een
lichtjaar en circa 206.265 A.E. in een parsec.
|
|
| |
|
astronomische nacht
| |
Met de term astronomische nacht duiden we dat deel van een etmaal aan, waarin de
Zon meer dan 18° onder de horizon staat en het dus goed donker is
(los van Maan en kunstlicht). In de zomer
vindt in onze streken een aantal dagen lang geen astronomische nacht plaats, doordat de Zon te hoog aan de hemel
staat en 's nachts niet de hoogte van -18° bereikt.
In de sterrenkunde is nacht het tegenovergestelde van schemering, en dus
is de astronomische nacht die periode waarin er geen astronomische schemering
plaatsvindt. Zie bij nacht voor meer definities van nacht.
|
|
| |
|
astronomische schemering
| |
Met de term astronomische schemering duidt een sterrenkundige dat deel van een etmaal aan, waarin de Zon minder dan
18° onder de horizon staat. Dit is dus de gehele periode van daglicht, plus (meestal) een deel van de avond en ochtend.
In de Benelux staat de Zon in de zomer echter midden in de nacht minder dan 18° onder de horizon en dus vindt gedurende het gehele
etmaal de astronomische schemering plaats. Het deel van de nacht waarin de Zon meer dan 18° onder de horizon staat,
en wanneer het dus helemaal donker is, noemen we astronomische nacht. Zie bij schemering
voor meer informatie. Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de
interactieve en
niet-interactieve tabellen voor opkomst,
ondergang en schemering, en in de
schemerdiagrammen.
|
|
| |
|
avondhemel
| |
Met avondhemel wordt de sterrenhemel bedoeld die voor een bepaalde locatie
rond de avondschemering zichtbaar is, dus vlak na zonsondergang.
De binnenplaneten Mercurius
en Venus zijn voornamelijk te zien aan de avond- of
ochtendhemel.
|
|
| |
|
avondschemering
| |
Met avondschemering wordt in de sterrenkunde het einde van de schemering aangeduid, dus aan het begin van
de nacht, wanneer het 's avonds donker begint te worden. Zie ochtendschemering en
de omschrijving bij schemering, die afwijkt van de alledaagse definitie.
De sterrenhemel in de avondschemering wordt wel avondhemel
genoemd.
|
|
| |
|
avondster
| |
Met een avondster wordt de binnenplaneet Mercurius of Venus bedoeld, die verschijnt aan
de avondhemel. Met name Mercrurius, en in mindere mate Venus, staat dicht bij de Zon, en is
dus alleen zichtbaar (vlak) voor zonsopkomst of vlak na zonsondergang.
In het eerste geval heet de planeet avondster, in het tweede geval ochtendster.
Een avondster is het best zichtbaar rond de grootste elongatie.
Voor de verschijningen van Mercurius
en Venus zijn horizonkaarten beschikbaar.
|
|
| |
|
azimut
| |
Het azimut (az.) van een hemellichaam geeft aan in welke (wind)richting het object aan de
hemel staat. Het azimut van een object hangt dus af van de plaats op Aarde, iedere plaats op Aarde
heeft immers een (net) iets
andere sterrenhemel. Zo kan het zijn dat in Europa de Zon in het westen staat, en dus bijna ondergaat,
terwijl diezelfde Zon in Amerika op dat moment pas net opkomt en dus in het oosten staat. Het azimut van de Zon is voor deze
twee gevallen dus volstrekt anders. Het azimut van het object wordt
normaal gesproken uitgedrukt in graden (°). Op deze website wordt het noorden aangeduid
met 0°, het oosten met 90°, het zuiden met 180° en het westen met 270°, net als het geval is met windrichtingen
en een kompas. (In veel gevallen wordt in de sterrenkunde voor het zuiden 0° genomen, voor het westen 90°, enzovoorts.)
Wanneer men bijvoorbeeld de planeet Uranus wil waarnemen
is het niet genoeg te weten dat deze 'in het
oosten' staat, maar kan het azimut gebruikt worden om de nauwkeurige positie weer te geven. Het azimut is dus de coördinaat
die aangeeft waar het object boven (of onder) de horizon staat. Om de exacte positie van het object te weten is dan nog een
tweede coördinaat nodig: de hoogte.
Voor de definities van de windrichtingen (zoals ZZW) uitgedrukt in azimut, zie onder windrichting.
Om het azimut en de hoogte van een object uit te rekenen uit de rechte klimming en declinatie
wordt de uurhoek gebruikt.
|
 |
|
| |
|
bedekking
| |
Een bedekking vindt plaats wanneer een groter voorgrondobject voor een kleiner achtergrondobject langs beweegt, en
het achtergrondobject volledig bedekt. Zo vinden er regelmatig sterbedekkingen door de Maan plaats,
wanneer de Maan voor een ster langs beweegt, of bedekkingen
van de manen van Jupiter, wanneer een maan achter de planeetschijf langs beweegt. Wanneer het voorgrondobject groter is,
maar het achtergrondobject niet volledig bedekt spreken we van een gedeeltelijke bedekking. Wanneer het voorgrondobject
kleiner is dan het achtergrondobject (en het dus ook niet volledig bedekt) is er sprake van een overgang.
|
|
| |
|
baan
| |
De baan van hemellichaam is het pad van dat object om een ander object. Zo kennen we bijvoorbeeld
de maanbaan, een planeetbaan en de banen van sterren in een
dubbelster.
|
|
| |
|
benedenconjunctie
| |
1. planeetverschijnsel: Een binnenplaneet is in benedenconjunctie wanneer de
planeet tussen de Aarde en de Zon door beweegt. De planeet
staat dan dus dichter bij de Aarde dan de Zon. Alleen tijdens een benedenconjunctie kan een overgang van de planeet over de
zonneschijf worden waargenomen, al vindt niet bij iedere benedenconjunctie een overgang plaats, door de
inclinatie van de planeetbaan. Gegevens van de benedenconjuncties van
Mercurius
en Venus zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
2. satellietverschijnsel: Een satelliet is in benedenconjunctie met de
planeet waarom de satelliet draait, wanneer de satelliet tussen de planeet en de Aarde door beweegt.
Ook voor een satelliet geldt dat overgangen over de planeetschijf plaatsvinden bij een benedenconjunctie, maar dat niet iedere
benedenconjunctie ook een overgang betekent. Benedenconjuncties van de manen van
Jupiter staan vermeld in de tabellen
verschijnselen van de manen van Jupiter.
Zie ook: bovenconjunctie, conjunctie.
|
|
| |
|
bijschaduw
| |
De bijschaduw of halfschaduw van een donker voorwerp dat wordt verlicht door een lichtbron,
is de minder donkere schaduw die zich niet direct achter het donkere voorwerp bevindt, maar iets verder van de
schaduw-as. De bijschaduw bevindt zich rond de kernschaduw, die zich direct achter
het donkere voorwerp bevindt. Vanuit de bijschaduw gezien wordt de lichtbron slechts gedeeltelijk bedekt,
en valt er dus minder licht van de lichtbron dan normaal.
In de sterrenkunde wordt deze term onder andere gebruikt bij zonsverduisteringen,
wanneer de schaduw van de Maan op de Aarde valt, en bij
maansverduisteringen, wanneer de schaduw van de Aarde op de
Maan valt. In deze gevallen wordt de bijschaduw ook penumbra genoemd.
Wanneer men zich bij een zonsverduistering in de bijschaduw bevindt, ziet men een gedeeltelijke eclips,
(er is een 'hap' uit de Zon) terwijl een waarnemer in de kernschaduw een totale verduistering
(de Zon is volledig verduisterd) ziet. Bij een maansverduistering is de Maan slechts enigszins donkerder dan normaal
wanneer de Maan in de penumbra staat, en vrijwel helemaal donker wanneer de Maan zich in de umbra van de Aarde bevindt.
|
|
| |
|
binnenplaneet
| |
Een binnenplaneet is een planeet die om de Zon draait in een baan die
binnen de baan van de Aarde ligt. Een binnenplaneet staat dus dichter bij de Zon dan de Aarde.
De binnenplaneten zijn Mercurius en
Venus. Doordat een binnenplaneet dichter bij
de Zon staat, is deze vanaf de Aarde gezien
nooit ver van de Zon verwijderd (28° en 48° voor Mercurius, respectievelijk Venus) en is voornamelijk aan de
ochtendhemel of avondhemel te zien. Het beste moment om een binnenplaneet
waar te nemen is tijdens zijn grootste elongatie, al is niet iedere verschijning even gunstig
(zie Waardoor zijn Mercurius en Venus soms
ver van de Zon slecht zichtbaar? in de veelgestelde vragen).
Zie ook: buitenplaneet.
|
|
| |
|
blauwe maan
| |
Blauwe Maan is de naam voor de tweede Volle Maan in een bepaalde maand. In een gemiddeld jaar
vindt circa 12,368 keer Volle Maan plaats, iets meer dan eens per maand dus. Het overschot (0,368) hoopt zich op totdat er
een tweede Volle Maan in een maand voorkomt. Dit gebeurt gemiddeld eens in de ruim 1/0,368 = 2,715 jaar (2 jaar en 8,6 maanden).
Het gebeurt natuurlijk precies vier maal zo vaak dat een willekeurige maanfase in een maand voorkomt, dat is dus gemiddeld eens in
de 8,15 maanden. Overigens hangt het voorkomen van een Blauwe Maan af van de tijdzone waarin men zich bevindt. Wanneer een Volle
Maan in Europa bijvoorbeeld in de avond van 31 januari plaatsvindt, is het in Australië al februari en is daar dezelfde Volle
Maan dus geen Blauwe Maan.
Zie ook de lijst met Blauwe Manen.
|
|
| |
|
bolvormige sterhoop
| |
Een bolvormige sterhoop, bolvormige stercluster of bolhoop is een groep van typisch enkele miljoenen
sterren die tegelijk en uit dezelfde gaswolk zijn ontstaan. De vorm van een bolhoop is over het algemeen
rond (sferisch). De meeste bolhopen die door amateur-sterrenkundigen worden waargenomen behoren tot ons Melkwegstelsel
en bewegen in banen met een hoge inclinatie die ze ver boven of onder het vlak van de Melkweg
brengt.
De sterren in een bolvormige sterhoop hebben ongeveer dezelfde leeftijd en staan op dezelfde afstand van de Zon.
In het geval van de bolhopen bij ons Melkwegstelsel zijn deze sterren over het algemeen 10-13 Gjr oud.
Een bekende bolhoop aan de noordelijke hemel is M13 in het sterrenbeeld
Hercules.
Het andere type sterhoop dat veel wordt waargenomen door amateurs is de open sterhoop, die minder en
jongere sterren bevat dan een bolhoop.
Bolvormige sterhopen maken deel uit van de deepsky-objecten.
|
|
| |
|
boogminuut
| |
Een boogminuut (’, arcminute) is een maat om een (kleine) hoek of schijnbare afstand tussen twee
hemellichamen, of de schijnbare afmetingen van een object aan te geven. Er gaan 60’ in een
graad (°) en 60 boogseconden in een 1’. Er gaan dus 21.600’ in een cirkel,
en 1’ = 0,0167°. De (Volle) Maan heeft een diameter van ongeveer 30’ (een halve graad).
|
|
| |
|
boogseconde
| |
Een boogseconde (”, arcsecond) is een maat om een kleine hoek of schijnbare afstand tussen twee
hemellichamen, of de afmetingen van een object aan te geven. Er gaan 60” in een
boogminuut, 3600” in een graad (°) en dus 1.296.000”
in een cirkel. 1” is dus 1/3600°, ofwel 0.000278°. Voor hele kleine hoeken (bijvoorbeeld
een parallax van een ster op grote afstand of de eigenbeweging
van sterren) wordt vaak de milliboogseconde (milliarcsecond, mas) gebruikt.
|
|
| |
|
bovenconjunctie
| |
1. planeetverschijnsel: Een binnenplaneet is in bovenconjunctie wanneer de planeet
vanaf de Aarde gezien achter de Zon langs beweegt. De planeet staat dan dus verder van de Aarde dan de Zon.
Gegevens van de benedenconjuncties van Mercurius en
Venus zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
2. satellietverschijnsel: Een satelliet is in bovenconjunctie met de planeet
waarom de satelliet draait, wanneer de satelliet vanaf de Aarde gezien achter de planeet langs beweegt. Bedekkingen
van de satelliet door de planeetschijf vinden plaats bij een bovenconjunctie, maar niet iedere bovenconjunctie betekent
een overgang. Bovenconjuncties van de manen van Jupiter staan vermeld
in de tabellen verschijnselen van de manen van Jupiter.
Zie ook: benedenconjunctie, conjunctie.
|
|
| |
|
buitenplaneet
| |
Een buitenplaneet is een planeet die om de Zon draait in
een baan die buiten de baan van de Aarde ligt. Een buitenplaneet staat dus verder van
de Zon dan de Aarde. De buitenplaneten zijn Mars,
Jupiter,
Saturnus,
Uranus en
Neptunus. Het beste moment om een buitenplaneet
waar te nemen is rond zijn oppositie. Zie ook: binnenplaneet.
|
|
| |
|
burgerlijke nacht
| |
Met de term burgerlijke nacht duiden we dat deel van een etmaal aan, waarin de
Zon meer dan 6° onder de horizon staat (een hoogte
van -6° of minder) en het dus enigszins donker is. Gedurende de burgerlijke nacht kunnen we de helderste hemelobjecten
(na Zon en Maan) met het blote oog waarnemen.
In de sterrenkunde is nacht het tegenovergestelde van schemering, en dus
is de burgerlijke nacht die periode waarin er geen burgerlijke schemering
plaatsvindt. Zie bij nacht voor meer definities van nacht.
|
|
| |
|
burgerlijke schemering
| |
Met de term burgerlijke schemering duidt een sterrenkundige dat deel van een etmaal aan, waarin de Zon minder dan
6° onder de horizon staat. Dit is dus de gehele periode van daglicht, plus (meestal) een deel van de avond en ochtend.
Het deel van de nacht waarin de Zon meer dan 6° onder de horizon staat, noemen we burgerlijke nacht. Zie bij
schemering voor meer informatie.
Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de
interactieve en
niet-interactieve tabellen voor opkomst,
ondergang en schemering, en in de
schemerdiagrammen.
|
 |
|
| |
|
circumpolair
| |
Een hemelobject heet circumpolair (letterlijk: rond de pool) voor een bepaalde waarneemlocatie wanneer
het object nooit onder de horizon verdwijnt voor een waarnemer op die locatie. Voor een waarnemer op een geografische
breedte van 52° (ongeveer Midden-Nederland) zijn alle objecten met een declinatie van
90°-52°=38° of hoger circumpolair. Bekende circumpolaire sterren in onze streken zijn (natuurlijk) de
poolster,
Wega (net wel/net niet),
Capella en
Deneb.
Uitgestrekte objecten, zoals sterrenbeelden,
kunnen gedeeltelijk circumpolair zijn wanneer slechts een deel van dat object altijd boven de horizon staat.
Vanuit Utrecht zijn slechts vijf sterrenbeelden circumpolair:
Cam,
Cas,
Cep,
Dra en
UMi;
13 sterrenbeelden zijn gedeeltelijk circumpolair, waaronder
Andromeda en de
Grote Beer.
Vanaf de polen zijn alle zichtbare sterrenbeelden gedeeltelijk of volledig circumpolair, vanaf de evenaar
is geen enkel sterrenbeeld circumpolair en zijn slechts twee sterrenbeelden gedeeltelijk circumpolair:
de Kleine Beer en
de Octant (de sterrenbeelden die
de noordpool, respectievelijk zuidpool beslaan).
|
|
| |
|
cluster
| |
Met een cluster wordt in de sterrenkunde een groep van hemelobjecten bedoeld. Zo kennen we sterclusters of
sterhopen, clusters van sterrenstelsels en
superclusters van sterrenstelsels.
|
|
| |
|
cluster van sterrenstelsels
| |
Een cluster van sterrenstelsels is een verzameling van typisch honderden tot duizenden sterrenstelsels.
Sterrenstelsels komen voor in groepen van enkele tot enkele tientallen stelsels, en deze groepen zijn verzameld in clusters. Clusters
van sterrenstelsels vormen op hun beurt weer superclusters.
Een bekende cluster van sterrenstelsels is de Virgocluster in het sterrenbeeld Maagd,
op een afstand van circa 18 Mpc.
|
|
| |
|
conjunctie
| |
1. tussen twee hemellichamen: Samenstand tussen twee hemellichamen, bijvoorbeeld de Maan
en een ster. Officiëel
vindt de conjunctie plaats op het moment dat de twee hemellichamen dezelfde rechte klimming
hebben, sommigen gebruiken
de term voor gelijke ecliptische lengte. Beide definities duiden echter geen moment aan dat voor het oog bijzonder is;
twee hemellichamen kunnen in theorie in conjunctie zijn en toch 180° uit elkaar staan. Om die reden staat in de
astrokalender
van deze website het moment van nauwste samenstand vermeld.
2. tussen een planeet en de Zon: Samenstand tussen een planeet en de Zon. Bij een
buitenplaneet spreken we van
de conjunctie wanneer de planeet vanaf de Aarde gezien achter de Zon langs beweegt (en mogelijk door de Zon
wordt bedekt), zodat deze enige tijd onzichtbaar is door het felle zonlicht. Het tegenovergestelde van conjunctie in
dit verband is oppositie.
Bij binnenplaneten onderscheiden we de bovenconjunctie en de
benedenconjunctie.
Gegevens van de conjuncties van de planeten zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen, een schematische figuur
met de posities voor Mars in oppositie (M1) en
conjunctie (M2) ten opzichte van de Aarde (A) is te vinden in Figuur 1
van de pagina Waardoor kunnen we Venus zien?
in de veelgestelde vragen.
|
|
| |
|
culminatie
| |
Het woord culminatie wordt in de sterrenkunde gebruikt om het bereiken van het hoogste punt boven de horizon
door een hemellichaam aan te geven (Latijn: culmen = top). Dit gebeurt wanneer dat
hemellichaam de meridiaan passeert, in onze streken komt dit voor de meeste objecten overeen
met de doorgang door het zuiden.
Mits het donker is, is de culminatie een goed moment om een object waar te nemen. Tijdens de oppositie
van een hemelobject vindt de culminatie plaats rond middernacht (betekenis 2).
Dat is dus het meest gunstige moment in het jaar om dat hemelobject waar te nemen.
|
 |
|
| |
|
dag
| |
Met een dag drukken we normaal gesproken de tijdspanne uit van de rotatieperiode van de Aarde,
dus een etmaal, of 24 uur, ofwel 1440 minuten, of 86 400 seconden. Na een
dag staat een ster (vrijwel) exact op dezelfde plaats aan de hemel na eenmaal rond te zijn gegaan
in zijn schijnbare beweging rond de Aarde. We noemen dit daarom ook wel een sterrendag.
Doordat de Aarde eveneens in een
baan om de Zon beweegt, duurt een zonnedag
circa 3 minuten en 56 seconden korter dan een sterrendag.
De variabele tijdspanne gedurende een etmaal waarin er daglicht aanwezig is, noemt men in de sterrenkunde
schemering.
|
|
| |
|
daglicht
| |
Met daglicht bedoelen we de (meestal dagelijkse, behalve bij de polen) periode waarin de Zon
zich boven de horizon bevindt. Anders dan de lengte van de dag hangt de lengte van het
daglicht af van de plaats op Aarde en de seizoenen. Het kenmerk van daglicht is dat er,
behalve Zon en Maan, over het algemeen geen hemellichamen zichtbaar zijn.
De periode van daglicht noemt men in de sterrenkunde schemering, de periode waarin er geen daglicht is
noemen we nacht.
|
|
| |
|
dalende knoop
| |
De dalende knoop is de knoop waar de Maan in zijn maandelijkse baan
de ecliptica van noord naar zuid doorkruist. Tegenover de dalende knoop ligt de klimmende knoop.
|
|
| |
|
deepsky-object
| |
Een deepsky-object is een zwak hemellichaam op grote afstand, zodat doorgaans een
grote, lichtsterke telescoop nodig is om het object te kunnen waarnemen. Voorbeelden van deepsky-objecten zijn sterhopen,
gasnevels en sterrenstelsels. Behalve een lichtsterke telescoop is
vaak ook een donkere waarneemplaats nodig, omdat men met name bij het waarnemen van deepsky-objecten veel last kan hebben van
lichtvervuiling. Bekende deepsky-objecten zijn de vinden in de Messier-catalogus,
en een groot aantal objecten is geclassificeerd in de New General Catalogue. Meer informatie over deze
objecten is te vinden onder het kopje Deepsky op deze website.
|
|
| |
|
declinatie
| |
De term declinatie wordt gebruikt om de breedtegraad van een hemellichaam in het
equatoriale coördinatenstelsel aan te geven.
De declinatie wordt gemeten in graden, boogminuten en
boogseconden. De declinatie wordt ook vaak aangeduid met de Griekse letter δ (delta).
De lengtegraad in dit systeem heet rechte klimming.
Door de eigenbeweging verandert de declinatie van 'vaste' objecten langzaam.
Om de rechte klimming en declinatie van een object om te rekenen in de lokale coördinaten azimut en
hoogte is de uurhoek nodig.
|
|
| |
|
Delta-t, Δt
| |
De term Delta-t of Δt wordt gebruikt om het verschil aan te geven tussen een hypothetische Aarde
die met exact constante snelheid zou roteren en de werkelijkheid, waarin de aardrotatie langzaam afneemt. Δt is het tijdsverschil
tussen de universele tijd (UT) en de dynamische tijd (TD). Het probleem met Δt is dat het niet voorspeld
kan worden; de waarde wordt bepaald aan de hand van waarnemingen van de sterrenhemel. Aangezien we op deze
website vaak 'voorspellingen' doen, gebruiken we een voorzichtige extrapolatie van de gemeten Δt-waarden. Voor een berekening
van een paar jaar vooruit is de nauwkeurigheid meestal beter dan een seconde, maar voor berekeningen in de
verre toekomst zou een (veel) groter verschil kunnen ontstaan. Over het algemeen betekent een fout in de waarde van Δt voor de
verre toekomst dat een gebeurtenis net iets eerder of later plaatsvindt dan voorspeld (de Aarde is iets minder of meer doorgedraaid
dan gedacht), maar in het geval een zonsverduistering in de
verre toekomst kan dit een grote impact hebben, doordat de
schaduw van de Maan op een ander gebied op Aarde terechtkomt.
|
|
| |
|
diameter
| |
De diameter van een (rond) hemellichaam is de afmeting van de doorsnede van dat object,
ofwel tweemaal zijn straal.
1. de schijnbare diameter wordt gebruikt om de grootte van een object aan de hemel aan te geven
en wordt uitgedrukt in graden, boogminuten of boogseconden.
Bijna overal op deze website bedoel ik schijnbare diameter wanneer ik diameter schrijf.
2. de fysieke diameter van een object drukken we meestal uit in kilometers
(bijvoorbeeld voor planeten), zonstralen voor sterren en lichtjaren
of parsecs voor bijvoorbeeld sterrenstelsels.
|
|
| |
|
dierenriem
| |
De dierenriem of zodiak is de verzameling van sterrenbeelden op de ecliptica, die
hoofdzakelijk dieren voorstellen. Volgens astrologen bepaalt het sterrenbeeld waarin de Zon zich bevindt op het moment
dat een persoon wordt geboren, de eigenschappen van die persoon. (Die persoon 'heeft' of 'is' dan dat sterrenbeeld).
Hierbij wordt dan ten eerste geen rekening gehouden met
het feit dat er niet 12, maar 13 tekens van de dierenriem zijn (iemand die wordt geboren tussen 30 november en 17 december
is eigenlijk een Slangendrager!) en bovendien wordt geen rekening gehouden met de precessie,
waardoor de dierenriem inmiddels één sterrenbeeld is opgeschoven, en de door astrologen gebruikte methode
dus 2000 jaar achterloopt.
|
|
| |
|
doorgang
| |
Met de doorgang of transit van een hemellichaam wordt over het algemeen
de doorgang door het zuiden bedoeld,
voor een waarnemer op het noordelijk halfrond (of door het noorden voor een waarnemer op het zuidelijk halfrond).
Tijdens de doorgang van een object staat het in het hoogste punt aan de hemel dat die dag wordt bereikt:
de culminatie.
|
|
| |
|
draconische maand
| |
Een draconische maand is de tijd die de Maan nodig heeft om eenmaal zijn twee
knopen te doorlopen, bijvoorbeeld van klimmende knoop tot klimmende knoop. De verhouding tussen de
draconische maand en de synodische maand bepaalt wanneer zonsverduisteringen
en maansverduisteringen voorkomen. Het woord 'draconisch' verwijst naar de mythische draak (Latijn:
draco) die de Zon of Maan tijdens een eclips zou opeten. Een draconische maand
duurt 27,212 221 dagen en wordt iedere 1000 jaar zo'n 0,33 seconden langer. Zie ook andere definities
voor de tijdspanne van een maand.
|
|
| |
|
driedubbelster
| |
Een driedubbelster is een systeem waarin drie sterren elkaar beïnvloeden door hun zwaartekracht.
De meeste sterren zijn hiërarchisch en bestaan uit een dubbelster en een korte baanperiode
met de derde ster ver daar vandaan in een lange baanperiode. De drie sterren kunnen elkaar beïnvloeden zoals de sterren
in een dubbelster.
|
|
| |
|
dubbelster
| |
Met een dubbelster wordt een systeem van twee sterren aangeduid die elkaar beïnvloeden door
hun zwaartekracht. De twee sterren bewegen hierdoor in een baan om een gemeenschappelijk zwaartepunt. In dubbelsterren
met een voldoende korte baanperiode kan een van de sterren
gas overdragen
naar zijn begeleider wanneer deze evolueert tot een
rode-reuzenster, met soms
dramatische gevolgen voor de twee sterren en hun baan. Een systeem van drie sterren heet een
driedubbelster.
|
 |
|
| |
|
eclips
| |
Met een eclips wordt een maansverduistering of (meestal)
zonsverduistering bedoeld.
|
|
| |
|
ecliptica
| |
De ecliptica is het schijnbare pad van de Zon aan de hemel, waar de
eclipsen plaatsvinden. Doordat de banen van de planeten
en de Maan vrijwel in een vlak liggen, bevinden deze hemellichamen zich meestal
ook in de buurt van de ecliptica aan de hemel. De bekende sterrenbeelden van de dierenriem
liggen aan de ecliptica.
|
|
| |
|
ecliptische breedte
| |
De term ecliptische breedte (b of β) wordt gebruikt om de breedtegraad
van een hemellichaam in het ecliptische coördinatenstelsel aan te geven.
Met de ecliptische breedte wordt gemeten hoe ver een object van de ecliptica af staat en wordt uitgedrukt in
graden, boogminuten en boogseconden (positief voor een object
ten noorden van de ecliptica, negatief voor een object ten zuiden ervan).
De lengtegraad in dit systeem heet de ecliptische lengte.
|
|
| |
|
ecliptische coördinaten
| |
Het ecliptische coördinatenstelsel wordt in de astronomie gebruikt om de posities van objecten in het
zonnestelsel aan te geven. De coördinaten in dit stelsel heten ecliptische lengte
en ecliptische breedte. De 'evenaar' van het coördinatenstelsel is de
ecliptica (vandaar de naam), het nulpunt is het het lentepunt.
Aangezien de afstand van het object niet belangrijk is om het aan de hemelbol te vinden zijn deze twee
coördinaten voldoende om de positie van een hemelobject eenduidig aan te geven.
Voor 'vaste' objecten worden meestal equatoriale coördinaten gebruikt,
om de lokale positie voor een waarnemer op een bepaalde plaats op Aarde aan te geven zijn dat
horizontale coördinaten.
|
|
| |
|
ecliptische lengte
| |
De term ecliptische lengte (l of λ) wordt gebruikt om de lengtegraad
van een hemellichaam in het ecliptische coördinatenstelsel aan te geven.
De ecliptische lengte wordt gemeten langs de ecliptica en uitgedrukt in graden,
boogminuten en boogseconden. De ecliptische lengte heeft een waarde tussen 0° en
360°, het nulpunt van ecliptische lengte is het lentepunt.
De breedtegraad in dit systeem heet de ecliptische breedte.
|
|
| |
|
Eerste Kwartier
| |
Het Eerste Kwartier (E.K.) is de maanfase, waarbij de rechterhelft van de Maan verlicht is (in België en Nederland
tenminste, op het zuidelijk halfrond is het de linker helft). Een ezelsbruggetje om het verschil tussen Eerste Kwartier en
Laatste Kwartier te onthouden is dat van de halve Maan bij E.K. de letter p van
premier (Frans voor eerste) gemaakt kan worden, door een steeltje aan de Maan te denken.
Zie maanfasen.
|
|
| |
|
eeuw
| |
Een eeuw is een periode van 100 Juliaanse jaren en dus 36.525 dagen.
|
|
| |
|
eigenbeweging
| |
De eigenbeweging van een 'vast' hemellichaam (meestal een ster) is de schijnbare beweging
van het object aan de hemel die wordt veroorzaakt door de fysieke beweging van dat object door de ruimte. De eigenbeweging
wordt vaak gesplitst in de twee hemelcoördinaten rechte klimming (vα) en
declinatie (vδ) en gemeten in boogseconden per eeuw
(”/eeuw) of milliboogseconden per jaar. De eigenbeweging geeft dus de beweging in het vlak van de hemel aan, loodrecht op
de kijkrichting. De fysieke beweging loodrecht op de eigenbeweging (dus in de kijkrichting) heet de
radiële snelheid. De eigenbeweging is een eigenschap van het object, in tegenstelling tot
de precessie.
|
|
| |
|
ellips
| |
Een ellips is een afgeplatte cirkel, met twee brandpunten. De planeten draaien in elliptische
banen om de Zon, waarbij de Zon in een van de brandpunten staat. Ook de Maan draait in een elliptische baan
om de Aarde. Het gevolg hiervan is dat de Maan soms dichter bij de Aarde staat en soms verder weg, waardoor
de apsiden ontstaan. Hetzelfde geldt voor de planeten, die soms dichter bij of verder van de Zon staan.
De mate waarin een ellips afgeplat is heet excentriciteit.
Een cirkel heeft een excentriciteit gelijk aan nul, zodat beide brandpunten samenvallen, een ellips heeft een excentriciteit tussen nul
en één (0<e<1). Hoe groter de excentriciteit van een ellips, des te verder liggen ook de apsiden
uit elkaar.
Behalve de variërende afstand is een ander gevolg van een ellipsbaan dat het object niet altijd even snel beweegt. Een planeet
beweegt bijvoorbeeld sneller wanneer hij dichter bij de Zon staat en minder snel wanneer deze verder van de Zon af staat. Dit
veroorzaakt onder andere een variatie in de lengte van de zonnedag en dus de
tijdsvereffening en geeft aanleiding tot de "acht-figuur" van een analemma.
Een ander gevolg van de elliptische aardbaan is dat
de Zon in onze streken ruim vier minuten langer boven de horizon staat
dan in het geval van een cirkelvormige aardbaan.
|
|
| |
|
elongatie
| |
De elongatie van een planeet is de hoekafstand tussen die planeet en de Zon.
Een elongatie van 0° betekent dat
de planeet in conjunctie is, een planeet met een elongatie van 180° is in
oppositie. Mercurius en
Venus bereiken hun grootste elongatie
op veel kleinere afstand tot de Zon. De elongatie van alle planeten voor ieder moment is weergegeven in kolom 4 van
de tabel planeetgegevens.
|
|
| |
|
equator
| |
De equator of evenaar is de lijn op een bol die exact tussen de twee polen ligt en die het noordelijk
halfrond van het zuidelijk halfrond scheidt. De equator op Aarde loopt door Zuid-Amerika (onder
andere Equador), Afrika (net ten zuiden van Equatoriaal Guinea) en Indonesië en heeft per definitie de geografische
breedtegraad 0°. De hemelequator of hemelevenaar loopt exact boven de evenaar op Aarde, splitst dus
de hemelbol in de noordelijke en de zuidelijke hemel en heeft een declinatie
van 0°. De hemelequator snijdt de ecliptica in het lentepunt.
|
|
| |
|
equatoriale coördinaten
| |
Het equatoriale coördinatenstelsel wordt in de astronomie gebruikt om de posities van
'vaste' objecten, zoals sterren, aan de hemelbol
aan te geven. De coördinaten in dit stelsel heten rechte klimming
(lengtegraad) en declinatie (breedtegraad). Het nulpunt van het coördinatenstelsel is
het lentepunt en de equator is gelijk aan die van de Aarde,
vandaar de naam.
Aangezien de afstand van het object niet belangrijk is om het aan de hemelbol te vinden zijn deze twee
coördinaten voldoende om de positie van een hemelobject eenduidig aan te geven.
Door de precessie veranderen de rechte klimming en declinatie
van de 'vaste' hemelobjecten langzaam, net als door de eigenbeweging van (voornamelijk) sterren.
Voor objecten in het zonnestelsel worden meestal
ecliptische coördinaten gebruikt, om de lokale positie voor een waarnemer op een bepaalde
plaats op Aarde aan te geven zijn dat horizontale coördinaten.
|
|
| |
|
equinox
| |
De equinox of nachtevening is het moment waarop de Zon recht boven de equator of evenaar staat, waardoor
de dag (of eigenlijk, de periode van daglicht) en de nacht
precies even lang duren (Lat.: equi: gelijk, nox: nacht). Het begin van de lente
is gedefinieerd als de lenteequinox, rond 21 maart, het begin van de herfst als de herfstequinox, rond 23 september.
Aan het begin van de lente staat de Zon in het lentepunt.
De equinoxen bepalen mede de seizoenen.
De equinoxen voor de Aarde zijn weergegeven in de tabel
Seizoenen 2001-2050.
|
|
| |
|
etmaal
| |
Een etmaal is de periode van een 24 uur, ofwel 86400 seconden, die begint en eindigt om
middernacht (betekenis 1), gedurende welke de datum niet verandert. Zie ook dag.
De lengte van een etmaal is gebaseerd op de gemiddelde lengte van de zonnedag.
|
|
| |
|
evenaar
| |
De evenaar is de meer gebruikte naam voor de equator van de Aarde.
|
|
| |
|
excentriciteit
| |
De excentriciteit van een ellips, zoals bijvoorbeeld een planeetbaan, is de grootheid die aangeeft in hoeverre
de ellips afwijkt van een cirkel. Een cirkel heeft een excentriciteit gelijk aan nul. Hoe langgerekter (meer afgeplat)
een ellips is, des te dichter ligt de excentriciteit bij één.
De excentriciteiten van de planeetbanen zijn te vinden in de kolom met het kopje "e" in de tabel
Gegevens van de planeetbanen. Daarin is te zien
dat de baan van Mercurius erg afgeplat is, terwijl die van
Venus bijna cirkelvormig is. Om aan te geven of een planeet
bolvormig is of niet, spreken we van de afplatting van die planeet.
Een parabool heeft een excentriciteit gelijk aan één, bij een hyperbool is
dit groter dan één. Parabolische en hyperbolische banen zijn geen gesloten krommen, zodat de
baanbeweging niet periodiek is (bijvoorbeeld bij een niet-periodieke komeet), in tegenstelling
tot een ellips- of cirkelbaan.
|
|
| |
|
exoplaneet
| |
Een exoplaneet is een planeet die niet tot ons zonnestelsel behoort, maar in een
baan om een andere ster draait. Door de grote afstand, het feit dat planeten zelf geen licht
produceren en het verblindende licht van de nabije centrale ster, zijn exoplaneten (vooralsnog) alleen indirect waarneembaar. Op dit moment
zijn meer dan honderd exoplaneten, en een aantal kleine planetenstelsels bekend.
|
 |
|
| |
|
fase
| |
De fase of schijngestalte van een hemellichaam is de fractie van dat hemellichaam dat verlicht is.
Het meest bekend zijn de maanfasen, maar ook de planeten vertonen tot op een bepaalde
hoogte fasen. Doordat de binnenplaneten zich, vanaf de Aarde gezien, zowel voor als
achter de Zon kunnen bevinden, vertonen zij alle fasen (van helemaal onverlicht (0%) tot volledig
verlicht (100%)), net als de Maan. Een binnenplaneet is volledig verlicht wanneer deze zich in
bovenconjunctie bevindt (vergelijk met Volle Maan) en
volledig onverlicht wanneer deze zich in benedenconjunctie bevindt (zoals bij
Nieuwe Maan). De buitenplaneten
vertonen niet alle fasen, zij zijn altijd voor vrijwel 100% verlicht. Dit is meer het geval naarmate de planeet
zich verder van de Zon bevindt (meer voor Neptunus dan
Mars).
De fase van Maan en planeten op ieder moment is te vinden in de interactieve tabel
Posities en andere gegevens voor
Zon, Maan en planeten.
|
|
| |
|
fasehoek
| |
De fasehoek van een planeet is de hoek tussen de lijnen Zon–planeet
en planeet–Aarde. De fasehoek wordt gebruikt om de fase en magnitude
van een planeet uit te rekenen, maar bepaalt ook wanneer de manen van Jupiter
worden verduisterd en welk deel van Saturnus' ringen zich in de schaduw van de planeet bevinden.
|
 |
|
| |
|
gasnevel
| |
Een gasnevel of kortweg nevel is een hemellichaam dat meestal zichtbaar is
als een wazig vlekje aan de sterrenhemel. Vrijwel altijd is een grote verrekijker of kleine telescoop nodig
om zo'n nevel te zien, met name in de Benelux, met al zijn lichtvervuiling.
We onderscheiden nevels die zichtbaar zijn doordat ze helder oplichten (emissienevel en reflectienevel),
of doordat ze juist donker afsteken (absorptienevel). Een emissienevel wordt
door een of meerdere sterren in de buurt verhit, waardoor de nevel zelf licht gaat uitstralen, zoals bijvoorbeeld een
planetaire nevel. Een reflectienevel
reflecteert voornamelijk sterlicht, en een absorptienevel steekt donker af tegen een helderder achtergrond.
De bekendste nevel is de Orionnevel, een grote emissienevel in het sterrenbeeld
Orion, die al met het blote oog als zwak 'sterretje' zichtbaar is.
Gasnevels maken deel uit van de deepsky-objecten.
|
|
| |
|
gasplaneet
| |
Een gasplaneet is een planeet die voor het grootste gedeelte, of helemaal,
uit gas bestaat. De gasplaneten in ons zonnestelsel zijn
Jupiter,
Saturnus,
Uranus en
Neptunus.
De gasplaneten worden vanwege hun omvang en massa ook wel de reuzenplaneten genoemd. Ze zijn verschillende malen
zwaarder en groter dan de aardse planeten en bevinden zich verder van de Zon.
De meeste exoplaneten zijn gasplaneten, doordat zware exoplaneten gemakkelijker te
detecteren zijn dan lichte planeten.
|
|
| |
|
geocentrische positie
| |
De geocentrische positie (Grieks: Gaia: Aarde) is de positie van een
hemellichaam voor een denkbeeldige waarnemer in het centrum van de Aarde. De geocentrische positie
van de meeste objecten in ons zonnestelsel wordt bepaald door eerst de
heliocentrische positie te berekenen en vervolgens te corrigeren voor de positie van de Aarde
in het zonnestelsel. Voor het berekenen van de nauwkeurige geocentrische positie van praktisch alle hemellichamen moet
rekening worden gehouden met de aberratie.
Voor een precieze positie van nabije hemellichamen voor een bepaalde waarnemer op Aarde is de
topocentrische positie van belang.
|
|
| |
|
gigajaar
| |
Een gigajaar (Gjr) is een tijdseenheid van 1 miljard (1.000.000.000) jaar. De afkorting voor gigajaar is
Gjr (Engels Gyr). De Zon (en dus de Aarde) is circa 4,6 Gjr oud,
het heelal circa 13,6 Gjr.
|
|
| |
|
gigaparsec
| |
Een gigaparsec (Gpc) is een afstandsmaat van 1 miljard (1.000.000.000) parsec.
|
|
| |
|
graad
| |
Een graad (°) is een maat om een hoek of schijnbare afstand aan de hemel aan te geven. Er gaan 360°
(360 graden) in een cirkel, en 90° in een rechte hoek. Eén graad bevat 60 boogminuten
(’) en 3600 boogseconden (”), d.w.z. 1° = 60’ = 3600”.
Hoeken worden soms in decimale graden, graden en minuten of graden, minuten en seconden weergegeven,
bijvoorbeeld 1,234° = 1°14,04’ = 1°14’02,4”.
schijnbare oppervlakten aan de hemel worden uitgedrukt in vierkante graden (°2).
|
|
| |
|
Gregoriaans jaar
| |
Een Gregoriaans jaar is de gemiddelde lengte van een jaar in de Gregoriaanse kalender.
De Gregoriaanse kalender maakt gebruik van schrikkeldagen om de lengte van het Gregoriaans jaar
zo dicht mogelijk te laten uitkomen bij de lengte van het tropisch jaar.
Iedere 400 jaar zijn er 97 schrikkeldagen (zie bij schrikkeljaar) en dus duurt een Gregoriaans
jaar gemiddeld 365 + 97/400 = 365,242 5 dagen, slechts 26,8 seconden langer dan een tropisch jaar.
Zie ook jaar, betekenis 2.
|
|
| |
|
Gregoriaanse kalender
| |
De Gregoriaanse kalender is de kalender die in 'het westen', en dus ook de EU, wordt gebruikt en de
Juliaanse kalender heeft vervangen. De
Gregoriaanse kalender is gebaseerd op het tropisch jaar, dat circa 365,242 190
dagen duurt. Door het gebruik van schrikkeldagen duurt het Gregoriaans
jaar slechts 26,8 seconden langer dan een tropisch jaar.
Wanneer onze kalender gebaseerd zou zijn op het siderisch jaar, zou het begin van de lente iedere circa 72 jaar één
dag vroeger plaatsvinden en zouden de seizoenen dus langzaam door het jaar verschuiven. Door de keuze om de kalender op het
tropisch jaar af te stemmen verschuift in plaats daarvan het lentepunt langzaam ten opzichte van de
sterren. Hierdoor schuiven alle sterrenbeelden van de dierenriem iedere 2000 jaar ongeveer één
sterrenbeeld op veranderen en de coördinaten van de 'vaste' objecten langzaam, wat een stuk
minder dramatisch is dan verschuivende seizoenen.
|
|
| |
|
grootste elongatie
| |
De grootste elongatie van een binnenplaneet is het punt waar de planeet het
verst van de Zon staat, en dus de maximale elongatie heeft. Voor
Mercurius is de grootste
elongatie nooit meer dan 28°, voor Venus is dit
maximaal 48°. Afhankelijk van de positie van de planeet ten opzichte
van de Zon spreekt men van grootste westelijke elongatie of grootste oostelijke elongatie. In het
eerste geval is de planeet voor zonsopkomst te zien aan de ochtendhemel
en heet ochtendster, in het tweede geval is dat na zonsondergang aan de
avondhemel en heet de planeet avondster.
Zie ook: Waardoor zijn Mercurius en Venus soms
ver van de Zon slecht zichtbaar? in de veelgestelde vragen, en de tabellen met grootste elongaties voor
Mercurius
en Venus. Een schematische figuur
met de posities voor Venus in grootste oostelijke (V3) en westelijke (V4) elongatie ten opzichte van de Aarde (A) is te vinden in Figuur 1
van de pagina Waardoor kunnen we Venus zien?
in de veelgestelde vragen.
|
 |
|
| |
|
halfschaduw
| |
Een halfschaduw wordt in de sterrenkunde vaak bijschaduw of penumbra genoemd.
|
|
| |
|
Halve Maan
| |
Bij Halve Maan is de zichtbare zijde van de Maan half verlicht. Dit gebeurt bij
Eerste Kwartier en bij Laatste Kwartier.
|
|
| |
|
heelal
| |
Het heelal of universum omvat per definitie alles dat we kunnen waarnemen. Het heelal bevat objecten zoals
planeten, sterren, sterrenstelsels,
clusters van sterrenstelsels, veel lege ruimte, donkere materie, donkere energie en
waarschijnlijk nog onontdekte vormen van materie en energie. Ruimte en tijd zijn een eigenschap van ons heelal, en dus
is de vraag wat er buiten, voor of na het heelal is, was of zal zijn irrelevant. Het heelal ontstond circa 13,6 Gjr
geleden in wat we de oerknal of Big Bang noemen. De gevolgen van de oerknal zijn waarneembaar als het huidige
uitdijen van het heelal en de zogenaamde achtergrondstraling.
|
|
| |
|
helderheid
| |
Zie magnitude.
|
|
| |
|
heliocentrische positie
| |
De heliocentrische positie (Grieks: Helios: Zon) van een hemellichaam is de positie in ons
zonnestelsel voor een denkbeeldige waarnemer op de Zon. Om de exacte positie van planeten te
bepalen wordt eerst de heliocentrische positie berekend, en vervolgens de geocentrische en
daaruit topocentrische positie bepaald.
|
|
| |
|
hemel
| |
Zie sterrenhemel.
|
|
| |
|
hemelbol
| |
De hemelbol is een denkbeeldige holle bol waarop de sterrenhemel lijkt te zijn afgebeeld.
Voor een waarnemer op donkere locatie met een vlakke horizon lijkt de sterrenhemel een halve bol of hemelkoepel te beslaan,
waar de waarnemer het centrum van vormt (doordat ons oog de afstanden tot de sterren niet direct kan bepalen nemen onze hersenen
aan dat alle hemelobjecten even ver weg staan, en dus op een bolschil om ons heen). De andere helft van de sterrenhemel is onzichtbaar, en deze twee helften samen
vormen de hemelbol. De hemelbol is vergelijkbaar met een aardbol, behalve dat deze denkbeeldig is en hol; hij heeft een noord- en zuidpool
en een evenaar die zich boven de noord en zuidpool en evenaar van de Aarde bevinden.
Net als op de aardbol zijn twee coördinaten nodig om de positie van een object aan te geven: rechte klimming
en declinatie.
|
|
| |
|
hemelevenaar
| |
Zie onder equator.
|
|
| |
|
hemelkoepel
| |
De hemelkoepel is de helft van de hemelbol die zichtbaar is voor een waarnemer op een bepaalde plaats en tijd.
De hemelkoepel wordt van de Aarde gescheiden door de horizon.
|
|
| |
|
hemellichaam
| |
Met een hemellichaam of hemelobject bedoelen we heel algemeen een object dat zich aan de (sterren)hemel
bevindt. Vaak gaat het dan om de Zon, de Maan, planeten, meteoren,
of sterren. Dit zijn de beter zichtbare en dus bekendere hemellichamen. Minder gemakkelijk waarneembare objecten zijn
bijvoorbeeld de manen van andere planeten, planetoïden, kometen,
sterrenstelsels, gasnevels, et cetera.
Hemellichamen buiten ons zonnestelsel worden wel 'vaste' objecten genoemd, omdat ze, voor waarnemingen
met het blote oog, niet lijken te bewegen (maar zie ook onder eigenbeweging en
radiële snelheid).
|
|
| |
|
hemelobject
| |
Zie hemellichaam.
|
|
| |
|
hemelpool
| |
Zie pool.
|
|
| |
|
herfst
| |
De herfst is een van de vier seizoenen in het jaar, de andere zijn
winter, lente en zomer. De herfst op het noordelijk halfrond begint met de
herfst-equinox en eindigt met het wintersolstitium. Onze herfst duurt van ruwweg 23 september tot
21 december en is met bijna 90 dagen de derde van de vier seizoenen in lengte (zie de tabel
De seizoenen). Het verschil in lengte tussen de seizoenen wordt
veroorzaakt door de excentriciteit van de aardbaan.
|
|
| |
|
hoogte
| |
De hoogte (h.), voluit hoogte boven de horizon, van een hemellichaam geeft aan hoe hoog
het object aan de hemel staat. De hoogte van een object hangt dus af van de plaats op Aarde, iedere plaats op Aarde heeft immers
een (net) iets andere sterrenhemel. Zo kan het zijn dat in Europa de Zon hoog boven de horizon staat (op grote
hoogte), terwijl deze in bijvoorbeeld India al ondergaat en dus laag boven de horizon staat (op geringe hoogte). De hoogte van het
object wordt normaal gesproken uitgedrukt in graden (°). Een positieve hoogte betekent dat het object zich
boven de horizon bevindt, een negatieve hoogte betekent dat het object zich onder de horizon bevindt. Een object dat opkomt of
ondergaat heeft dus hoogte van 0°. Het punt recht boven het hoofd (het zenit) heeft h=90°, het punt
recht onder de voeten (het nadir) heeft h=-90°. De grootste hoogte van de Zon boven de horizon in Utrecht
is in de zomer ruim 60°, midwinter nog geen 15°. De poolster staat er op een
hoogte van circa 38°. Om de exacte positie
van een object aan te geven is een tweede coördinaat nodig, die aangeeft waar het object boven (of onder) de horizon staat:
het azimut.
Om het azimut en de hoogte van een object uit te rekenen uit de rechte klimming en declinatie
wordt de uurhoek gebruikt.
|
|
| |
|
horizon
| |
De horizon van een waarnemer op Aarde is de denkbeeldige cirkel die de hemelkoepel
scheidt van het voor die waarnemer zichtbare deel van de Aarde (land, zee). Voor een plaats met ononderbroken uitzicht (geen bebouwing,
bomen, bergen) is de horizon circa 4-5 kilometer ver weg, voor iemand op de Domtoren in Utrecht is dat zo'n 36 kilometer. Voor deze
website is de horizon belangrijk omdat een hemelobject alleen kan worden waargenomen wanneer het zich boven
de horizon bevindt. Objecten boven de horizon noemen we “op”, die onder de horizon zijn “onder”. De afstand
tussen de horizon en een hemelobject is zijn hoogte en wordt uitgedrukt in graden. De horizon
heeft een hoogte van 0°, een object dat op is heeft een positieve hoogte, een object dat onder is een negatieve. Objecten die altijd
boven de horizon zijn (voor een bepaalde plaats op Aarde) heten circumpolair.
De horizon wordt ook gebruikt om de (wind)richting of het azimut van een object aan te geven. Wanneer we zeggen dat
een object “in het zuiden” staat, bedoelen we op een plaats aan de hemel tussen de zuidelijke horizon en het zenit.
|
|
| |
|
horizontale coördinaten
| |
Het systeem van horizontale coördinaten wordt gebruikt om lokaal de positie van hemellichamen
aan te duiden, dus voor een bepaalde waarnemer op een bepaalde plaats op Aarde en een bepaalde tijd.
De horizontale coördinaten zijn azimut (de 'windrichting'; een lengtegraad) en hoogte (hoe
ver het object boven de horizon staat: een breedtegraad; de horizon werkt in dit systeem dus als equator).
Aangezien de afstand van het object niet belangrijk is om het aan de hemelkoepel te vinden zijn deze twee
coördinaten voldoende om de positie van een hemelobject eenduidig aan te geven.
Horizontale coördinaten zijn dus
topocentrisch. Om de meer globale positie van een object aan te geven wordt een globaal
coördinatensysteem gebruikt, zoals equatoriale coördinaten voor 'vaste' objecten
en ecliptische coördinaten voor objecten in het zonnestelsel.
Voor het omrekenen van globale naar lokale coördinaten zijn de uurhoek en sterrentijd belangrijk.
|
 |
|
| |
|
IC
| |
IC staat voor Index Catalogue, een catalogus van 5387 deepsky-objecten van allerlei
categoriën, als aanvulling op de New General Catalogue (NGC). De lijsten met deepsky-objecten tot
magnitude +12, die te vinden zijn onderaan de detailpagina voor ieder sterrenbeeld
(te bereiken via de lijst van sterrenbeelden, zie
bijvoorbeeld de deepsky-objecten in het sterrenbeeld Zwaan),
zijn voor een deel gebaseerd op de IC.
|
|
| |
|
inclinatie
| |
Met inclinatie wordt de hoek tussen de vlakken van twee banen of tussen het vlak van een baan en de rotatie van een object
aangeduid. De term wordt gebruikt voor banen en rotatie-assen van planeten, satellieten,
ringen, kometen en planetoïden in
het zonnestelsel, van dubbelsterren aan de hemel en van bijvoorbeeld sterren of
sterhopen in het Melkwegstelsel.
1. inclinatie van een planeet: De hoek die de rotatieas van een planeet of maan maakt ten opzichte van het vlak
waarin de omloopbaan ligt.
2. inclinatie van een planeetbaan: De hoek die het vlak van een planeetbaan (het 'baanvlak') maakt met het vlak van het zonnestelsel. Doordat de planeten
niet precies (maar wel ongeveer) in één vlak om de Zon draaien vindt bijvoorbeeld niet bij iedere
benedenconjunctie een overgang plaats.
3. inclinatie van een satellietbaan: De hoek die het baanvlak van een satelliet maakt met het equatorvlak van de planeet.
Doordat de baan van de Maan om de Aarde een inclinatie heeft, vindt niet iedere Nieuwe Maan een
zonsverduistering plaats.
|
 |
|
| |
|
jaar
| |
Het woord jaar kan meerdere betekenissen hebben:
1. kalendereenheid: Een kalenderjaar is de periode van 365 of 366 dagen die begint op 1 januari en eindigt op 31 december.
Een kalenderjaar met 366 dagen heet een schrikkeljaar.
2. tijdsduur: Een jaar is ongeveer de tijd die de Aarde nodig heeft voor één
volledige omloop rond de Zon. We onderscheiden verschillende definities voor de tijdspanne van een jaar,
met verschillende lengtes:
|
|
| |
|
jaargetijde
| |
Synoniem voor seizoen.
|
|
| |
|
Juliaans jaar
| |
Een Juliaans jaar is de gemiddelde duur van een jaar in de Juliaanse kalender:
365,25 dagen. Een periode van 100 Juliaanse jaren heet een eeuw. Zie ook jaar, betekenis 2.
|
|
| |
|
Juliaanse kalender
| |
De Juliaanse kalender is het kalendersysteem dat werd geïntroduceed door Julius Caesar en vanaf 1582
langzaam is vervangen door de Gregoriaanse kalender. De Juliaanse kalender kende
iedere vier jaar een schrikkeljaar. De gemiddelde lengte
van het jaar volgens deze kalender is dus 365,25 dagen en heet het Juliaans jaar.
|
 |
|
| |
|
kalenderjaar
| |
Zie jaar, betekenis 1.
|
|
| |
|
kernschaduw
| |
De kernschaduw of slagschaduw van een donker voorwerp dat wordt verlicht door een lichtbron,
is de donkere schaduw direct achter het donkere voorwerp dat de schaduw produceert. Verder van de schaduw-as, rond
de kernschaduw, bevindt zich meestal de bijschaduw. Vanuit de kernschaduw gezien
wordt de lichtbron volledig bedekt, en valt er dus geen (direct) licht van de lichtbron.
In de sterrenkunde wordt deze term onder andere gebruikt bij zonsverduisteringen,
wanneer de schaduw van de Maan op de Aarde valt, en bij
maansverduisteringen, wanneer de schaduw van de Aarde op de
Maan valt. In deze gevallen wordt de kernschaduw ook umbra genoemd.
Wanneer men zich bij een zonsverduistering in de kernschaduw bevindt, ziet men een totale eclips,
(de Zon is volledig verduisterd) terwijl een waarnemer in de bijschaduw een gedeeltelijke verduistering
(er is slechts een 'hap' uit de Zon) ziet. Bij een maansverduistering is de Maan vrijwel helemaal donker wanneer
de Maan zich in de umbra van de Aarde bevindt, doordat geen direct zonlicht de Maan kan bereiken (maar, zie ook:
De rode kleur van de verduisterde Maan), en slechts
enigszins donkerder dan normaal wanneer de Maan in de penumbra staat.
|
|
| |
|
kiloparsec
| |
Een kiloparsec (kpc) is een afstandsmaat van duizend parsec.
|
|
| |
|
klimmende knoop
| |
De klimmende knoop is de knoop waar de Maan in zijn maandelijkse baan
de ecliptica van zuid naar noord doorkruist. Tegenover de klimmende knoop ligt de dalende knoop.
|
|
| |
|
knoop
| |
Een knoop is de plaats waar twee banen elkaar snijden. Het meest bekend zijn de knopen van de
maanbaan, waar de schijnbare baan van de Maan aan de sterrenhemel
de ecliptica (schijnbare baan van de Zon aan de hemel) snijdt. We spreken van de
klimmende knoop voor het punt waar de Maan de ecliptica van zuid naar noord doorkruist en van de
dalende knoop waar dit van noord naar zuid gebeurt. Zonsverduisteringen
en maansverduisteringen vinden altijd plaats wanneer de Nieuwe Maan,
respectievelijk Volle Maan in de buurt van een van de knopen plaatsvindt. De tijdspanne die de Maan nodig
heeft om zijn schijnbare baan van klimmende knoop naar klimmende knoop te doorlopen heet draconische maand.
|
|
| |
|
komeet
| |
Een komeet is weinig meer dan een 'grote, vuile sneeuwbal' die in een elliptische baan om de Zon beweegt.
In feite is dit de komeetkern, met een typische diameter van ongeveer 1 km. Wanneer zo'n komeetkern
dichter bij de Zon komt, gaat het ijs verdampen door de warmte. Hierdoor ontstaat een min of meer bolvormige
wolk van gas, stof en gruis die de halo van de komeet wordt genoemd. Onder invloed van de druk die het
felle zonlicht op de halo uitoefent, wordt de halo 'weggeblazen', zodat een staart ontstaat, die dus altijd van de
Zon af wijst. Om deze reden worden kometen ook wel staartsterren genoemd. Doordat een komeetbaan vaak
zeer elliptisch is, staat een komeet meestal te ver van de Zon om een halo of staart te ontwikkelen, terwijl de
komeet slechts korte tijd (rond het perihelium) zichtbaar is. Sommige kometen zijn
periodiek, en komen na enkele tientallen, honderden of duizenden jaren weer in de buurt van de Zon, andere
hebben een hyperbolische baan en komen slechts eenmaal langs de Zon. De bekendste komeet is de komeet van
Halley, met een periode van ongeveer 76 jaar.
Het gruis dat losgemaakt wordt van een komeet produceert meteoroïden en
meteoorzwermen.
|
|
| |
|
kwartier
| |
Het Eerste Kwartier en Laatste Kwartier zijn maanfasen, waarbij de Maan halfvol is.
|
 |
|
| |
|
Laatste Kwartier
| |
Het Laatste Kwartier (L.K.) is de maanfase, waarbij de linker helft van de Maan verlicht is (in Nederland en België
tenminste, op het zuidelijk halfrond is het de rechterhelft). Een ezelsbruggetje om het verschil tussen Laatste Kwartier en
Eerste Kwartier te onthouden is dat van de halve Maan bij L.K. de letter d van
dernier (Frans voor laatste) gemaakt kan worden, door een steeltje aan de Maan te denken.
Zie maanfasen.
|
|
| |
|
lichtjaar
| |
Een lichtjaar (lj) is de afstand die het licht in een jaar tijd aflegt. Een lichtjaar is dus een afstandsmaat
(geen tijdspanne) en bedraagt ongeveer 9,46 biljoen km (9.460.000.000.000 km). Het lichtjaar wordt gebruikt om afstanden
naar sterren en sterrenstelsels aan te geven. In plaats van het lichtjaar
wordt vaak de parsec gebruikt, voor afstanden binnen het zonnestelsel
gebruikt men de astronomische eenheid. Er gaan ongeveer 63.240 astronomische eenheden
in een lichtjaar en circa 3,26 lj in een parsec.
|
|
| |
|
lichttijd
| |
De lichttijd van een object in ons zonnestelsel is de tijd die het licht van dat object
nodig heeft om de Aarde te bereiken. De lichttijd is belangrijk om de schijnbare positie
van bijvoorbeeld een planeet uit te rekenen. De lichttijd voor de Maan is circa 1,3 seconden,
voor de Zon is dat 8,3 minuten en voor de planeten is dit enkele minuten tot enkele uren.
|
|
| |
|
lente
| |
De lente is een van de vier seizoenen in het jaar, de andere zijn
zomer, herfst en winter. De lente op het noordelijk halfrond begint met de
lente-equinox en eindigt met het zomersolstitium. Onze lente duurt van ruwweg 21 maart tot
21 juni en is met bijna 93 dagen de tweede van de vier seizoenen in lengte (zie de tabel
De seizoenen). Het verschil in lengte tussen de seizoenen wordt
veroorzaakt door de excentriciteit van de aardbaan.
|
|
| |
|
lentepunt
| |
Het lentepunt is het snijpunt van de ecliptica en de hemelevenaar.
Het lentepunt is het nulpunt voor zowel het equatoriale coördinatenstelsel (0 uur
rechte klimming) als het ecliptische coördinatenstelsel
(0° ecliptische lengte), die beide in de astronomie gebruikt worden. Door de precessie verschuift het
lentepunt langzaam, en hierdoor veranderen de posities van alle 'vaste' objecten (niet doordat de
objecten bewegen, maar doordat het onderliggende coördinatenstelsel verschuift).
|
|
| |
|
lichtvervuiling
| |
Met lichtvervuiling wordt de grote hoeveelheid, vaak overbodig, kunstlicht bedoeld die wordt uitgestraald
door bijvoorbeeld straatlantaarns, broeikassen, gevelverlichting, huishoudens, et cetera. Wetenschappers vrezen dat de
lichtvervuiling het dag- en nachtritme van flora en fauna danig kan storen. Ook voor sterrenkundigen is de
lichtvervuiling net zo schadelijk als het woord doet vermoeden. Het licht wordt in de atmosfeer verstrooid, wordt hierdoor
gedeeltelijk weer richting het aardoppervlak gestuurd en komt dus in het oog, de verrekijker of de telescoop terecht
van de (amateur)astronoom. Het gevolg hiervan is dat overal uit het heelal licht lijkt te komen, en dit zorgt voor een
zwak lichtende waas als hemelachtergrond. Doordat de hemelachtergrond enigszins licht geeft, zijn
deepsky-objecten minder goed tot helemaal niet meer zichtbaar. Indien er geen licht op Aarde
zou worden geproduceerd, zou die hemelachtergrond (vrijwel) volledig zwart zijn, al kan in zo'n geval de
Volle Maan ook een storende bron van strooilicht zijn. In West Europa is de situatie wat betreft
lichtvervuiling tamelijk zorgwekkend, en inderdaad zijn er veel minder sterren te zien dan in bijvoorbeeld Zuid Europa
of Afrika.
Zie ook Waar in Nederland kun je het beste sterrenkijken?
|
|
| |
|
lokale tijd
| |
De lokale tijd is de tijd die op de klokken op een bepaalde plaats op Aarde wordt aangegeven. Vroeger werd hiervoor
de zonnetijd gebruikt, waardoor praktisch iedere stad zijn eigen tijd had. Tegenwoordig is de
Aarde opgedeeld in tijdzones, zodat het tijdsverschil tussen twee plaatsen
meestal een geheel aantal uren is. De lokale standaardtijd in België en Nederland is de Midden-Europese Tijd
(MET), de lokale zomertijd is de Midden-Europese ZomerTijd (MEZT).
Voor meer details, zie de uitleg op de pagina
Utrechtse Middelbare Tijd.
|
 |
|
| |
|
maan
| |
Een maan of satelliet is een hemellichaam dat zich in een baan
om een planeet bevindt. De Aarde heeft één natuurlijke satelliet:
De Maan en vele kunstmanen of kunstsatellieten. De Maan heeft ongeveer een maand nodig om zijn baan om de Aarde
af te leggen. Mercurius
en Venus hebben geen manen, de
buitenplaneten hebben vaak enkele tientallen manen, hoewel beide manen van
Mars ingevangen planetoïden zijn.
|
|
| |
|
maanbaan
| |
1. de maanbaan is de baan van de Maan om de Aarde. De maanbaan is een
ellips, met als extremen het perigeum en het apogeum.
De Maan heeft een maand nodig om eenmaal zijn baan om de Aarde te doorlopen. De maanbaan heeft een
inclinatie van 5,1° met de ecliptica en snijdt de ecliptica in de
knopen.
2. een maanbaan is de baan van een satelliet om zijn moederplaneet. De eigenschappen
van satellieten zijn te vinden in de tabellen.
|
|
| |
|
maand
| |
Een maand is de tijdspanne van ongeveer 30 dagen en kan de volgende betekenissen hebben:
1. kalendereenheid: een kalendermaand is een tijdsduur van exact 28, 29, 30 of 31 dagen. Een maand
begint om middernacht (0 uur) aan het begin van de eerste dag van de maand en eindigt om middernacht (24 uur)
aan het einde van de laatste dag van de maand. Ieder jaar kent exact 12 maanden, te weten (met het aantal dagen
tussen haakjes): januari (31), februari (28 of 29), maart (31), april (30), mei (31), juni (30), juli (31), augustus (31), september (30),
oktober (31), november (30) en december (31). Februari was de laatste maand van het Romeinse jaar en heeft 28 of 29 dagen, een jaar
waarin februari 29 dagen heeft heet een schrikkeljaar.
2. tijdsduur: Een maand is ongeveer de tijd die de Maan nodig heeft voor één volledige
omloop in zijn baan om de Aarde. Er zijn verschillende definities voor de tijdspanne
van een maand, waaronder:
|
|
| |
|
maanfasen
| |
Met de maanfasen of schijngestalten van de Maan wordt het steeds veranderende aangezicht van de Maan
bedoeld. In feite is de fase van de Maan op ieder moment de fractie van het zichtbare maanoppervlak dat verlicht is.
Er zijn echter vier benoemde maanfasen, die iedere ongeveer 29,53 dagen een keer voorkomen, in deze volgorde: Nieuwe Maan,
Eerste Kwartier, Volle Maan en Laatste Kwartier. Hierna komt de Nieuwe Maan weer terug.
De fasen ontstaan doordat de Maan om de Aarde beweegt (en de Aarde om de Zon).
Bij Nieuwe Maan staat de Maan tussen de Aarde en de Zon, waardoor de onverlichte zijde van de Maan naar de Aarde
is gekeerd en we op Aarde dus alleen de donkere kant van de Maan kunnen zien. Bij Eerste Kwartier
en Laatste Kwartier zijn
de rechter-, respectievelijk linker helft van de Maan verlicht (vanaf het noordelijk halfrond, op het zuidelijk
halfrond is dit precies omgekeerd). Bij Volle Maan is de Maan als het ware in
oppositie en is de gehele naar de Aarde toegekeerde zijde van de Maan verlicht.
Zonsverduisteringen vinden dus alleen plaats bij Nieuwe Maan,
maansverduisteringen alleen bij Volle Maan.
Gegevens van de maanfasen zijn te vinden in de tabel
verschijnselen van de Maan.
Zie ook: Hoe ontstaan de fasen van de maan?
De fase van de Maan (en planeten) op ieder moment is te vinden in de interactieve tabel
Posities en andere gegevens voor Zon, Maan en planeten.
|
|
| |
|
maansverduistering
| |
Bij een maansverduistering of maaneclips beweegt de Maan achter de Aarde langs, gezien vanaf
de Zon. De Aarde staat dan dus tussen de Zon en de Maan in, zodat de schaduw van de Aarde op de Maan valt
en de Maan wordt verduisterd.
We spreken van gedeeltelijke en totale maansverduisteringen, afhankelijk van het gedeelte van de Maan dat
wordt verduisterd. Bovendien kennen we maansverduisteringen in de donkere kernschaduw (umbra)
van de Aarde, wanneer de Maan precies achter de Aarde staat en dus helemaal geen (direct) licht van de Zon ontvangt, en
maansverduisteringen in de bijschaduw (penumbra) van de Aarde, wanneer nog een deel van
het directe zonlicht de Maan bereikt (maar minder dan normaal). Een maansverduistering
vindt altijd plaats bij Volle Maan, maar, door de inclinatie van de
maanbaan, niet bij iedere Volle Maan; Volle Maan moet dicht bij een van de knopen
plaatsvinden. Voor beknopte gegevens van maansverduisteringen en links naar pagina's met meer details, zie de tabel
Maansverduisteringen 2001-2050.
Zie ook Hoe ontstaat een maansverduistering?
in de veelgestelde vragen.
|
|
| |
|
magnitude
| |
De magnitude (m) (offcieel schijnbare magnitude) of grootte van een hemellichaam
is een maat voor zijn schijnbare helderheid, zoals gezien van de Aarde.
Deze eenheid werd al in de oudheid geïntroduceerd, door de sterren in zes klassen in te delen. De helderste sterren
kwamen in klasse 1, de zwakste, nog net met het blote oog waarneembare sterren werden in klasse 6 ingedeeld. De
helderste sterren hebben dus de laagste magnitude. Later, toen het
mogelijk werd de helderheid direct te meten, bleek dat deze indeling ongeveer overeenkwam met een logaritmische schaal.
Tegenwoordig gebruikt men deze schaal nog steeds. De Zon heeft een helderheid van -26,8m, de volgende helderste ster
aan de hemel, Sirius, heeft magnitude -1,46.
|
|
| |
|
megajaar
| |
Een megajaar (Mjr) is een tijdseenheid van 1 miljoen (1.000.000) jaar. De afkorting voor megajaar is
Mjr (Engels Myr).
|
|
| |
|
megaparsec
| |
Een megaparsec (Mpc) is een afstandsmaat van 1 miljoen (1.000.000) parsec.
|
|
| |
|
Melkweg
| |
1. hemelobject:
De Melkweg is de naam van de zwakke, nevelachtige band die op een heldere, donkere nacht aan de sterrenhemel
kan worden gezien. Het blijkt te gaan om de projectie van ons Melkwegstelsel, waarin
wij ons bevinden. Wanneer men een telescoop met voldoende vergroting op de Melkweg richt, zien men dat deze oplost
in miljarden sterren en gasnevels.
2. sterrenstelsel:
Ons Melkwegstelsel wordt soms kortweg de Melkweg genoemd.
|
|
| |
|
melkwegstelsel
| |
1. Melkwegstelsel:
Het Melkwegstelsel is de naam van het sterrenstelsel waarin zich ons
zonnestelsel, en dus de Aarde, bevindt.
Het Melkwegstelsel is een vrij groot spiraalstelsel met naar schatting circa 200 miljard
sterren, waar de Zon er één van is. Van boven gezien heeft het
Melkwegstelsel dus een spiraalstructuur, van de zijkant is het vrij plat, met een verdikking in het centrum.
De projectie van het Melkwegstelsel aan onze hemel is te zien als een vage, nevelachtige band die de
Melkweg wordt genoemd.
2. melkwegstelsel:
Het woord melkwegstelsel wordt ook vaak gebruikt als synoniem voor sterrenstelsel,
maar feitelijk is dit onjuist (op dezelfde manier als 'sterren' geen 'zonnen' zijn). Het gebruik van het woord
sterrenstelsel is dus aan te bevelen, om verwarring te voorkomen.
|
|
| |
|
meridiaan
| |
1. Aarde:
Een meridiaan is een lengtecirkel in het coördinatenstelsel waarmee een plaats op Aarde wordt aangegeven.
Alle meridianen lopen van noord naar zuid, zijn grootcirkels, lopen door zowel Noordpool als Zuidpool en snijden de evenaar
onder een rechte hoek. De nulmeridiaan voor het coördinatenstelsel op Aarde is de lengtecirkel die door de sterrenwacht
van Greenwich, in London, loopt. Vanaf de nulmeridiaan lopen de meridianen 180° naar het westen en 180° naar het oosten om
elkaar aan de andere kant van de Aarde te ontmoeten (180° oosterlengte is gelijk aan 180° westerlengte). De lijnen haaks op
de meridianen, dus lijnen van constante breedte (zoals de evenaar), zijn de breedtegraden. De afstand tussen twee meridianen
op de evenaar (de lengte van een graad op de evenaar) is circa 111 kilometer, en wordt minder naar mate
men van de evenaar af beweegt.
2. hemelbol:
Aan de hemelbol is een meridiaan de lijn die de noordpool en zuidpool van de hemel verbindt en door het
zenit loopt. Op het noordelijk halfrond snijdt de meridiaan de horizon in het zuiden, op het zuidelijk halfrond
is dat in het noorden. De culminatie of transit van een object vindt plaats wanneer
deze de meridiaan passeert.
|
|
| |
|
Messier
| |
De Messier catalogus is een lijst met 110 deepsky-objecten, voor het grootste deel (de eerste 103 objecten)
samengesteld door de Franse kometenjager Charles Messier. Messier zocht onontdekte kometen, en stelde de lijst, die in 1771 werd gepubliceerd,
samen om 'komeet-achtige' objecten die geen komeet waren in kaart te brengen. De lijst bestaat hierdoor uit vrij heldere en dus relatief
gemakkelijk waar te nemen objecten. De meeste Messier-objecten zijn al met een verrekijker of kleine telescoop te zien. De Messier-objecten
worden aangeduid met een hoofdletter M (zo is de
Andromedanevel ook bekend als M31) en zijn terug
te vinden in de lijsten met deepsky-objecten per sterrenbeeld (te bereiken via de
lijst met sterrenbeelden), zie bijvoorbeeld het sterrenbeeld
Grote Beer. De New General Catalogue
en Index Catalogue verschaffen nog veel meer deepsky-objecten.
|
|
| |
|
MET
| |
De afkorting MET staat voor Midden-Europese Tijd, bij ons wintertijd genoemd.
Dit is de lokale tijd die geldt in de tijdzone waarin onder andere Nederland en België
zich bevinden. De MET geldt ruwweg van november tot en met maart. In de rest van het jaar geldt de MEZT,
een aanpassing op de MET. De MET loopt 1 uur voor op de UT.
|
|
| |
|
meteoriet
| |
Een meteoriet is een stuk steen of rotsblok dat inslaat, of is ingeslagen, op een groter
hemellichaam, bijvoorbeeld een planeet. Een inslaande meteoriet veroorzaakt over het
algemeen een krater. Voordat de meteoriet insloeg heette het rotsblok een meteoroïde.
Als een meteoroïde door de aardatmosfeer beweegt, vlak voor een inslag, veroorzaakt deze een lichtend spoor dat we
een meteoor noemen.
|
|
| |
|
meteoor
| |
Een meteoor is een lichtflitsje dat snel langs de nachthemel beweegt en in de volksmond wel een
vallende ster wordt genoemd. Het gaat hier echter om een klein rotsblokje dat door het
zonnestelsel bewoog en meteoroïde wordt genoemd.
Wanneer zo'n meteoroïde in de aardatmosfeer terecht komt, brengt het door de grote wrijving de atmosfeer
om zich heen aan het lichten, wat we dus kunnen zien als een meteoor. Wanneer een meteoor inslaat (op
Aarde of op een ander hemellichaam) spreken we van een meteoriet.
Kleine meteoren verdampen voordat ze het aardoppervlak bereiken, op een hoogte van ruwweg tussen de 80 en
120km. Een heldere meteoor wordt ook wel een vuurbol genoemd. Veel meteoren komen
voor in meteoorzwermen.
|
|
| |
|
| |
|
meteoorzwerm
| |
Een meteoorzwerm of meteorenzwerm is een verzameling van meteoren die rond dezelfde tijd en
in hetzelfde gebied aan de hemel zichtbaar zijn. Het punt aan de hemel waaruit de meteoren lijken te komen
wordt de radiant genoemd. Het aantal meteoren per uur wordt gemeten met de ZHR.
Veel van deze meteoorzwermen zijn ieder jaar rond dezelfde
tijd zichtbaar (Zie de tabel Jaarlijkse
meteoorzwermen). De meteoroïden die de meteoren in een zwerm
veroorzaken, bevinden zich in dezelfde wolk. De Aarde beweegt zich jaarlijks rond dezelfde datum door deze
wolk, zodat de meteorenzwerm ieder jaar rond dezelfde tijd terugkomt. Zo'n wolk is vaak een onderdeel
van het spoor van stof en gruis, achtergelaten door een komeet.
|
|
| |
|
meteoroïde
| |
Een meteoroïde is een stuk steen, met een grootte die ligt tussen de grootte van een zandkorrel
en die van een flink rotsblok, dat zich door het zonnestelsel beweegt.
Wanneer een meteoroïde in de aardatmosfeer terechtkomt, veroorzaakt deze een lichtend spoor dat we een
meteoor noemen. Een meteoroïde die inslaat, bijvoorbeeld op een planeet, noemen
we een meteoriet.
|
|
| |
|
MEZT
| |
De afkorting MEZT staat voor Midden-Europese ZomerTijd. Dit is de tijd die geldt in de
tijdzone waarin onder andere België en Nederland zich bevinden. De MEZT geldt ruwweg van april tot en met oktober.
In de rest van het jaar geldt de MET. De MEZT loopt 2 uur voor op de UT.
|
|
| |
|
middernacht
| |
Het begrip middernacht wordt gebruikt in twee betekenissen:
1. algemeen: het tijdstip 0 of 24 uur locale tijd, waarop de datum verspringt.
2. sterrenkunde: het moment van het etmaal waarop de Zon het diepst
onder de horizon staat. Dat is het donkerste moment van het etmaal en dus in principe ideaal voor het waarnemen van
de nachthemel. Dit moment van middernacht vindt in onze streken ruwweg plaats tussen 0:20 en 1:00 uur MET
of 1:20 uur en 2:00 uur MEZT.
|
|
| |
|
milliboogseconde
| |
Een milliboogseconde is een kleine hoek van een duizendste (0,001) boogseconde.
|
 |
|
| |
|
nacht
| |
Het woord nacht gebruiken we meestal voor de periode waarin er geen daglicht is, dat wil zeggen,
het deel van de dag waarin de Zon onder de horizon is. In de sterrenkunde
is nacht het tegenovergestelde van schemering. Zodoende kunnen we dus spreken van de burgerlijke nacht,
de nautische nacht en de astronomische nacht.
|
|
| |
|
nachtevening
| |
Synoniem voor equinox.
|
|
| |
|
nachthemel
| |
Synoniem voor sterrenhemel.
|
|
| |
|
nadir
| |
Het nadir is de naam voor het punt aan de hemel dat zich recht onder je voeten bevindt. Het nadir heeft dus een
hoogte boven de horizon van min negentig graden (-90°).
Het punt recht tegenover het nadir wordt het zenit genoemd.
|
|
| |
|
najaar
| |
Zie herfst.
|
|
| |
|
nautische nacht
| |
Met de term nautische nacht duiden we dat deel van een etmaal aan, waarin de
Zon meer dan 12° onder de horizon staat (een hoogte
van -12° of minder) en het dus redelijk donker is (los van Maan en kunstlicht).
In de sterrenkunde is nacht het tegenovergestelde van schemering, en dus
is de nautische nacht die periode waarin er geen nautische schemering
plaatsvindt. Zie bij nacht voor meer definities van nacht.
|
|
| |
|
nautische schemering
| |
Met de term nautische schemering duidt een sterrenkundige dat deel van een etmaal aan, waarin de Zon minder dan
12° onder de horizon staat. Dit is dus de gehele periode van daglicht, plus (meestal) een deel van de avond en ochtend.
Het deel van de nacht waarin de Zon meer dan 12° onder de horizon staat, en waarin het dus behoorlijk donker wordt,
noemen we nautische nacht. Zie bij schemering voor meer informatie.
Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de
interactieve en
niet-interactieve tabellen voor opkomst,
ondergang en schemering, en in de
schemerdiagrammen.
|
|
| |
|
nevel
| |
Zie gasnevel.
|
|
| |
|
NGC
| |
NGC staat voor New General Catalogue, een catalogus van 7840 deepsky-objecten van allerlei
categoriën. De catalogus werd opgesteld in de 1880-er jaren door Dreyer, die voornamelijk waarnemingen van William en
John Herschel gebruikte. De lijsten met deepsky-objecten tot magnitude +12, die te vinden zijn
onderaan de detailpagina voor ieder sterrenbeeld (te bereiken via de
lijst van sterrenbeelden, zie bijvoorbeeld de
deepsky-objecten in het sterrenbeeld Orion),
zijn voor een groot deel gebaseerd op de NGC. De NGC werd later aangevuld met de Index Catalogue (IC).
De bekendste NGC-objecten zijn terug te vinden in de Messier catalogus.
|
|
| |
|
Nieuwe Maan
| |
Nieuwe Maan is de maanfase waarbij de Maan helemaal onverlicht is. Doordat de
Zon slechts één helft van de Maan verlicht, en de Maan om de
Aarde draait, zien we soms alleen de donkere kant van de Maan. Dit noemen we Nieuwe Maan.
Zonsverduisteringen kunnen alleen bij Nieuwe Maan voorkomen.
Zie ook maanfasen.
|
|
| |
|
noordpool
| |
Zie pool.
|
 |
|
| |
|
object
| |
Zie hemellichaam.
|
|
| |
|
ochtendhemel
| |
Met ochtendhemel wordt de sterrenhemel bedoeld die voor een bepaalde locatie
rond de ochtendschemering zichtbaar is, dus vlak voor zonsopkomst.
De binnenplaneten Mercurius
en Venus zijn voornamelijk te zien aan de ochtend- of
avondhemel.
|
|
| |
|
ochtendschemering
| |
Met ochtendschemering wordt in de sterrenkunde het begin van de schemering aangeduid, dus aan het einde van
de nacht, wanneer het 's ochtends licht begint te worden. Zie avondschemering en
de omschrijving bij schemering, die afwijkt van de alledaagse definitie.
De sterrenhemel in de ochtendschemering wordt wel ochtendhemel
genoemd.
|
|
| |
|
ochtendster
| |
Met een ochtendster wordt de binnenplaneet Mercurius of Venus bedoeld, die verschijnt aan
de ochtendhemel. Met name Mercrurius, en in mindere mate Venus, staat dicht bij de Zon, en is
dus alleen zichtbaar (vlak) voor zonsopkomst of vlak na zonsondergang.
In het eerste geval heet de planeet ochtendster, in het tweede geval avondster.
Een ochtendster is het best zichtbaar rond de grootste elongatie.
Voor de verschijningen van Mercurius
en Venus zijn horizonkaarten beschikbaar.
|
|
| |
|
ondergang
| |
De ondergang van een hemellichaam is het (meestal dagelijks) verdwijnen van dat object onder de
horizon. Voor een ster of een planeet is het moment van
ondergang duidelijk gedefiniëerd, voor de Zon en de Maan gebruiken we het tijdstip
waarop de bovenrand van de schijf verdwijnt.
Met het berekenen van het moment van ondergang houden we rekening met de breking van het licht in de aardatmosfeer, waardoor
een object iets later onder gaat dan wanneer de Aarde geen atmosfeer zou hebben. De tijdstippen van ondergang
op deze website gelden over het algemeen voor Utrecht, en variëren licht voor andere plaatsen in de Benelux. We berekenen het moment
van ondergang tot op de minuut nauwkeurig; meer precisie is zinloos aangezien de hoogte van een waarnemer (op de Dom of
net buiten de stad) en de exacte luchtdruk en temperatuur in dat geval van belang zijn (in verband met de breking in de atmosfeer),
evenals het exacte uitzicht op de horizon.
Hemellichamen die nooit onder gaan, maar altijd boven de horizon staan, heten circumpolair.
Zie ook opkomst.
|
|
| |
|
open sterhoop
| |
Een open sterhoop, open cluster of open stercluster is een groep van typisch enkele duizenden
sterren die tegelijk en uit dezelfde gaswolk zijn ontstaan. De sterren in een open cluster hebben
hierdoor dezelfde leeftijd en staan op dezelfde afstand van de Zon. Een bekende open stercluster is de Pleiaden in het
sterrenbeeld Stier. Een open sterhoop heeft minder en jongere sterren dan een
bolvormige sterhoop. Over het algemeen wordt aangenomen dat open sterhopen (gedeeltelijk)
ontbonden worden naarmate de cluster ouder wordt, doordat sterren de sterhoop verlaten na dynamische interacties. Er zijn
sterke aanwijzingen dat de Zon circa 4,6 Gjr geleden is ontstaan in een open sterhoop.
Open sterhopen maken deel uit van de deepsky-objecten.
|
|
| |
|
opkomst
| |
De opkomst van een hemellichaam is het (meestal dagelijks) verschijnen van dat object boven de
horizon. Voor een ster of een planeet is het moment van opkomst
duidelijk gedefiniëerd, voor de Zon en de Maan gebruiken we het tijdstip waarop de
bovenrand van de schijf verschijnt.
Met het berekenen van het moment van opkomst houden we rekening met de breking van het licht in de aardatmosfeer, waardoor
een object iets eerder opkomst dan wanneer de Aarde geen atmosfeer zou hebben. De tijdstippen van opkomst
op deze website gelden over het algemeen voor Utrecht, en variëren licht voor andere plaatsen in de Benelux. We berekenen het moment
van opkomst tot op de minuut nauwkeurig; meer precisie is zinloos aangezien de hoogte van een waarnemer (op de Dom of
net buiten de stad) en de exacte luchtdruk en temperatuur in dat geval van belang zijn (in verband met de breking in de atmosfeer),
evenals het exacte uitzicht op de horizon.
Hemellichamen die nooit opkomen, maar altijd boven de horizon staan, heten circumpolair.
Zie ook ondergang.
|
|
| |
|
oppositie
| |
Een buitenplaneet of planetoïde is in oppositie met de Zon,
of kortweg in oppositie,
wanneer deze tegenover de Zon aan de hemel staat.
De Zon, de Aarde en het object staan dan dus op een lijn. Het gevolg hiervan is dat het object opkomt
rond het moment dat de Zon ondergaat en omgekeerd, waardoor het object dus vrijwel de gehele nacht zichtbaar
is. Daarnaast staat het object tijdens de oppositie relatief dicht bij de Aarde, waardoor het
een grotere schijnbare diameter en helderheid heeft dan gemiddeld. Een oppositie van een planeet is dus
een uitgelezen moment om die planeet waar te nemen, niet alleen op de exacte datum van de oppositie, maar ook enkele weken ervoor en
erna. Binnenplaneten vertonen geen
opposities, buitenplaneten laten vaak een oppositielus zien.
Het tegenovergestelde van een oppositie is een conjunctie.
Gegevens van de opposities van de buitenplaneten zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen, een schematische
figuur met de posities voor Mars in oppositie
(M1) en conjunctie (M2) ten opzichte van de Aarde (A) is te vinden in Figuur 1 van de pagina
Waardoor kunnen we Venus zien?
in de veelgestelde vragen.
|
|
| |
|
oppositielus
| |
Een buitenplaneet maakt in de periode rond zijn oppositie
vaak een oppositielus.
Deze lus ontstaat doordat de Aarde de planeet inhaalt, doordat de Aarde ten eerste een grotere baansnelheid heeft
en ten tweede een kleinere baan. Hierdoor lijkt de buitenplaneet achteruit te bewegen, wat ook wel
retrograde beweging wordt genoemd. Bij het begin en einde van de oppositielus
staat de planeet dus even stil in voorwaartse beweging. We zeggen dan dat de planeet stationair is.
Een schematische voorstelling van een oppositielus is te vinden in Figuur 2 van de pagina
Mars in oppositie in 2007.
|
|
| |
|
overgang
| |
Een overgang vindt plaats wanneer een kleiner voorgrondobject voor een groter achtergrondobject langs beweegt, en
het achtergrondobject dus gedeeltelijk bedekt. Zo vinden er af en toe overgangen van
Mercurius over de Zon
plaats, waarbij de kleine planeet als een zwarte stip op de heldere zonneschijf zichtbaar is. Een ander voorbeeld van
overgangen zijn de overgangen van de manen van
Jupiter, wanneer een maan of zijn schaduw vanaf de Aarde gezien over de planeetschijf beweegt. Wanneer
het voorgrondobject groter is dan het achtergrondobject, spreken we van een bedekking.
|
 |
|
| |
|
parallax
| |
De jaarlijkse parallax van een ster is de schijnbare beweging die de ster aan de hemel
maakt ten gevolge van de baanbeweging van de Aarde. Door de beweging van de Aarde lijken
nabije sterren een beetje te bewegen ten opzichte van ververwijderde sterren, net zoals vanuit een rijdende trein
nabije bomen snel voorbijschieten ten opzichte van bijvoorbeeld een berg op grote afstand. De parallax wordt
meestal gemeten in boogseconden (″), een ster met een parallax van 1″ heeft een afstand van 1
parsec. Een ster die tweemaal zover weg staat heeft een tweemaal zo kleine jaarlijkse
parallax, en dus heeft een ster op een afstand van 10pc een parallax van 0,1″.
|
|
| |
|
parsec
| |
Een parsec (pc) is een afstandsmaat die wordt gebruikt om afstanden naar sterren en
sterrenstelsels aan te geven. In plaats van de parsec wordt vaak het
lichtjaar gebruikt, voor afstanden binnen het zonnestelsel
gebruikt men de astronomische eenheid. Er gaan ongeveer 206.265 astronomische
eenheden in een en circa 3,26 lichtjaar in een parsec. De naam parsec komt van de samentrekking van
parallax en boogseconde ("); De parsec is namelijk
zo gedefinieerd dat een ster met een parallax van 1" op een afstand van 1pc staat. Voor grotere afstanden worden
vaak de kiloparsec (1 kpc = 1000 pc) en megaparsec (1 Mpc = 1.000.000 pc) gebruikt.
|
|
| |
|
penumbra
| |
De term penumbra is Latijn voor halfschaduw en wordt gebruikt voor:
1. maansverduistering: de halfschaduw of bijschaduw van de Aarde op de Maan
tijdens een maansverduistering;
2. zonsverduistering: de halfschaduw of van de Maan op de Aarde tijdens een
zonsverduistering;
3. zonnevlek: de minder donkere buitenste gebieden van een zonnevlek.
De term penumbra staat in tegenstelling tot umbra.
|
|
| |
|
perigeum
| |
Het punt van de elliptische baan van de Maan of een satelliet, dat het dichtst bij de Aarde
ligt en dus een apside.
Wanneer de Maan in het perigeum staat, staat deze dichter bij en heeft een grotere schijnbare diameter
(Grieks: peri: (dicht)bij, Gaia: Aarde).
Daarnaast is de baanbeweging van de Maan in het perihelium sneller dan gemiddeld.
De periode tussen twee perigea heet de
anomalistische maand. Gegevens van het apogeum van de Maan zijn te vinden in de tabel
verschijnselen van de Maan.
Zie ook: apogeum.
|
|
| |
|
perihelium
| |
Het punt van de elliptische baan van een planeet, planetoïde of komeet,
dat het dichtst bij de Zon ligt.
De Aarde staat rond 4 januari in het perihelium, zodat de Zon dan groter lijkt dan gemiddeld
(Grieks: peri: dichtbij, Helios: Zon).
Daarnaast is de baanbeweging van een planeet in het perihelium sneller dan gemiddeld.
Gegevens van het perihelium voor iedere planeet zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
Zie ook: aphelium.
|
|
| |
|
planeet
| |
Een planeet is een groot en rond hemellichaam dat om een ster draait.
De planeten die wij goed kennen zijn: Mercurius,
Venus, de Aarde,
Mars,
Jupiter,
Saturnus,
Uranus en
Neptunus.
Zij draaien om de centrale ster van ons zonnestelsel: de Zon.
Pluto is sinds augustus 2006 officiëel geen planeet meer,
omdat deze te klein is voor die titel, en wordt nu dwergplaneet genoemd.
Kleinere rotsblokken die rond onze Zon draaien heten planetoïden.
Gegevens van de planeten van ons zonnestelsel zijn te vinden in de tabel
Gegevens van de planeten.
Planeten die om andere sterren dan de Zon draaien heten exoplaneten.
|
|
| |
|
planeetbaan
| |
Een planeetbaan is het pad van een planeet om de Zon (in het geval van ons zonnestelsel;
om de centrale ster in het planetenstelsel in het geval van een exoplaneet.
Planeetbanen zijn ellipsen, over het algemeen met een voldoende grote excentriciteit
om niet te kunnen spreken van een cirkelvormige baan. Gegevens van de planeetbanen in ons zonnestelsel zijn te vinden in de tabel
Gegevens van de planeetbanen.
|
|
| |
|
planetaire nevel
| |
Een planetaire nevel is een gasnevel die is uitgestoten door een centrale ster, aan het eind van het
'leven' van die ster. Planetaire nevels zien er vaak uit als kleine ronde schijfjes en lijken dus bij kleine vergroting
een beetje op planeten, vandaar de naam. In werkelijkheid hebben ze dus niets met planeten van doen.
Een planetaire nevel straalt licht uit doordat het gas wordt verhit door de hoogenergetische straling van de centrale ster,
en is dus een emissienevel (zie onder gasnevel). Een planetaire nevel bestaat enkele tienduizenden
jaren, dus relatief kort voor sterrenkundige begrippen, waarna de nevel te groot en ijl wordt om nog te kunnen worden waargenomen.
De centrale ster koelt bovendien af tot een witte dwerg, die niet langer in staat is de nevel te doen lichten.
Planetaire nevels maken deel uit van de deepsky-objecten.
|
|
| |
|
planetenstelsel
| |
Het woord planetenstelsel lijkt me een mooie naam voor het gebied rond een ster waar zich de
planeten en eventueel kleinere objecten bevinden, al suggereert de naam lichtelijk dat er zich
slechts planeten bevinden. Aan de andere kant is dit niet zo'n probleem omdat we kleinere objecten bij andere sterren
in de meeste gevallen toch niet kunnen waarnemen. Het planetenstelsel om de Zon
heet zonnestelsel, en daarmee bedoelen we inderdaad Zon, planeten en kleinere
objecten.
|
|
| |
|
planetoïde
| |
Een planetoïde (letterlijk: kleine planeet) of asteroïde (letterlijk:
kleine ster, dus eigenlijk onjuist) is een klein (minder dan ongeveer 1000km in doorsnede),
rotsvormig planeetje dat om de Zon
draait. Planetoïden hebben meestal een onregelmatige vorm. De twee manen van
Mars zijn ingevangen
planetoïden. Net als een planeet kan een planetoïde een maan hebben, zoals bijvoorbeeld
de planetoïde Ida. Een zeer kleine planetoïde, ter grootte van een groot rotsblok of minder, wordt
een meteoroïde genoemd.
Gedetailleerde waarneemgegevens van planetoïden en zoekkaartjes rond hun oppositie zijn
te vinden onder het kopje Planetoïden.
|
|
| |
|
pool, polen
| |
Met de pool bedoelen we de noordpool of de zuidpool:
1. op Aarde: (of een andere planeet). De polen van de Aarde bevinden zich op de twee
plaatsen waar de rotatie-as van de Aarde door het oppervlak steekt, vaak gedacht als de 'bovenkant' en 'onderkant'
van de Aarde (hoewel buiten de Aarde 'boven' en 'onder' niet gedefiniëerd zijn en dit meer te maken heeft met
de gangbare manier van kaartlezen). Een waarnemer op een van de polen van de Aarde draait in 24 uur
eenmaal om haar as en ziet ('s nachts) de sterren eenmaal om zichzelf ronddraaien. Een waarnemer op
de noordpool ziet de poolster in het zenit.
2. de hemelpolen bevinden zich op die plaats aan de hemel waarnaar de aardas wijst, dus recht boven de
polen van de Aarde. Hierdoor lijkt de sterrenhemel zich om de polen te draaien, net
als de Aarde om haar as draait (maar in de andere richting; de hemel lijkt immers te draaien doordat in
werkelijkheid de Aarde in de tegenovergestelde richting draait). De noordelijke hemelpool bevindt zich dicht
bij de ster Polaris, op
dit moment de poolster voor het noorden.
De zuidelijke hemelpool wordt niet gemarkeerd door een duidelijk zichtbare ster.
|
|
| |
|
poolster
| |
De poolster is een enigszins heldere ster (magnitude +2,02) die dicht bij de noordelijke hemelpool
staat. Hierdoor lijken de andere sterren eenmaal per dag om de poolster te draaien, een schijnbare beweging
veroorzaakt door de rotatie van de Aarde om haar as. De naam van de poolster is
Polaris. Door de
precessie verschuiven de 'vaste' objecten in de loop van duizenden jaren, waardoor Polaris niet altijd de poolster zal
zijn, en we beter zouden kunnen spreken van een poolster.
Doordat een poolster vrijwel precies boven de noordpool staat, is deze (voor een waarnemer op het noordelijk halfrond) altijd
in het noorden te vinden en kan zowel gebruikt worden als oriëntatie (de poolster wijst het noorden aan) als als bepaling van
de breedtegraad (90 graden minus de hoogte van de poolster boven de horizon geeft
de geografische breedte, vandaar de uitdrukking poolshoogte nemen). Een veelvoorkomende misvatting is dat de poolster
de helderste ster (na de Zon) aan de hemel zou zijn. Dit is echter
Sirius, met een helderheid van -1,46 bijna 25 maal
helderder dan Polaris, die op de 50e plaats komt.
De zuidelijke hemel heeft (op dit moment) geen gemakkelijk herkenbare poolster.
|
|
| |
|
positie
| |
Met de positie van een hemellichaam wordt de plaats van dat object aan de sterrenhemel
bedoeld. Om de positie aan te geven zijn twee coördinaten nodig, net als voor het uniek bepalen van een plaats op Aarde
(de afstand is niet van belang om een object aan de hemelbol te vinden).
Het systeem van de horizontale coördinaten gebruikt azimut en hoogte,
bij equatoriale coördinaten zijn dat rechte klimming en
declinatie, en bij het ecliptische coördinatenstelsel
ecliptische lengte en ecliptische breedte.
|
|
| |
|
precessie
| |
De Aarde draait om haar as, maar de richting waarnaar de aardas wijst is niet constant. De richting van de aardas
zelf maakt in 26.000 jaar een cirkelbeweging van ongeveer 23,5° rond de pool van de ecliptica. Deze
langzame beweging wordt de precessie der equinoxen, of kortweg precessie genoemd. Aangezien
het systeem van hemelcoördinaten is vastgelegd met de evenaar in hetzelfde vlak als de evenaar van de Aarde,
verschuiven de coördinaten als gevolg van de precessie. Hierdoor kunnen de coördinaten van 'vaste' objecten,
zoals bijvoorbeeld een verre quasar, toch veranderen. Het kan geen kwaad nogmaals te benadrukken dat dit
veranderen van de coördinaten dus niets
te maken heeft met de beweging van de hemellichamen (dit is de eigenbeweging), maar met het verschuiven van
het coördinatenstelsel. Een ander gevolg van de precessie is dat de sterrenbeelden van de
dierenriem iedere 2000 jaar ongeveer één sterrenbeeld opschuiven, waardoor
de astrologische tekens die worden gebruikt in
horoscopen niet meer kloppen.
Door de precessie is het tropisch jaar korter dan het siderisch jaar.
|
|
 |
|
| |
|
radiant
| |
Het punt aan de hemel waaruit de meteoren uit een meteoorzwerm
lijken te komen wordt de radiant genoemd. In werkelijkheid stralen de meteoren niet uit de radiant in alle richtingen,
maar bewegen ze min of meer parallel aan elkaar. Het schijnbare uitstralen wordt veroorzaakt door het perspectief, net als
treinrails die vanuit een punt aan de horizon lijken te komen. Een meteoorzwerm krijgt meestal de naam van het
sterrenbeeld waarin de radiant ligt. Het aantal meteoren per uur wordt gemeten met de ZHR.
Zie de tabel Jaarlijkse meteoorzwermen voor gegevens
van de belangrijkste zwermen en meer informatie.
|
|
| |
|
radiële snelheid
| |
De radiële snelheid van een 'vast' object is de beweging van het object aan
de hemel in de kijkrichting, dus naar de waarnemer toe of van de waarnemer af. Dit is de radiële component van de
fysieke beweging van dat object door de ruimte en wordt meestal gemeten in km/s.
De schijnbare beweging van een object loodrecht op de radiële snelheid (dus in het vlak van de hemel) heet
eigenbeweging.
|
|
| |
|
rechte klimming
| |
De term rechte klimming (R.K.; Engels right ascension, R.A.) wordt gebruikt om de lengtegraad
van een hemelobject in het equatoriale coördinatenstelsel aan te geven.
De rechte klimming wordt gemeten in uren, minuten en seconden (dus niet boogminuten en
boogseconden). De rechte klimming wordt ook vaak aangeduid met de Griekse letter α (alfa).
De breedtegraad in dit systeem heet de declinatie.
Door de eigenbeweging verandert de rechte klimming van 'vaste' objecten langzaam.
Om de rechte klimming en declinatie van een object om te rekenen in de lokale coördinaten azimut en
hoogte is de uurhoek nodig.
|
|
| |
|
retrograad
| |
1. planeten: Een buitenplaneet beweegt retrograad ('terug') tijdens zijn
oppositielus, doordat de Aarde de planeet
in haar baan om de Zon inhaalt. Op het moment dat de beweging van de planeet stopt en omkeert,
is de planeet stationair.
2. satellieten: Satellieten van planeten bewegen retrograad om hun planeet, wanneer zij in de richting draaien
die tegengesteld is aan de planeetrotatie.
|
|
| |
|
reuzenplaneet
| |
Zie gasplaneet.
|
|
| |
|
rotsplaneet
| |
Zie aardse planeet.
|
 |
|
| |
|
satelliet
| |
Een satelliet is een hemellichaam dat om een planeet heen
draait. Een synoniem voor satelliet is maan, hoewel dat woord komt van de Maan, de naam van de enige natuurlijke
satelliet van de Aarde. We spreken van natuurlijke satellieten en kunstmanen, net zoals we van
natuurlijke manen en kunstmanen spreken.
Zie verder maan.
|
|
| |
|
SAO catalogus
| |
De SAO catalogus is een stercatalogus in 1966 samengesteld door het Smithsonian Astrophysical Observatory te Harvard,
en bevat de gegevens van 258.997 sterren.
Zie de SAO homepage.
|
|
| |
|
schemering
| |
Het woord schemering heeft in de sterrenkunde een andere betekenis dan die in het dagelijks leven wordt gebruikt.
In de gangbare betekenis van het woord betekent schemering de periode kort (ongeveer een uur) na zonsondergang en kort
voor zonsopkomst. In dat geval is de schemering een korte periode die tweemaal per dag plaatsvindt. Voor een sterrenkundige
begint de schemering echter 's ochtends voor zonsopkomst (de ochtendschemering), en eindigt pas 's avonds na zonsondergang
(de avondschemering). Dit is dus één
lange periode, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat, die dus ook de gehele periode van daglicht omvat. De schemering
vindt voor een sterrenkundige dus slechts eenmaal per dag plaats, en is de periode waarin het te licht is om de nachthemel
waar te nemen. Sterrenkundigen onderscheiden drie soorten schemering. Van minder naar meer duisternis zijn dat de
burgerlijke schemering, de nautische schemering en
de astronomische schemering. Deze vinden plaats wanneer de Zon respectievelijk minder
dan 6°, minder dan 12° en minder dan 18° onder de horizon staat. De astronomische schemering omvat dus ook
de nautische en burgerlijke schemering. Het deel van het etmaal waarin het niet schemert noemen we de burgerlijke nacht,
nautische nacht, respectievelijk astronomische nacht.
In de zomer wordt het in de Benelux niet volledig donker. De Zon staat dan midden
in de nacht minder dan 18° onder de horizon en dus vindt gedurende de gehele nacht de astronomische schemering plaats.
Met andere woorden: er vindt dan dus geen astronomische nacht plaats. Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de
interactieve en
niet-interactieve tabellen voor opkomst,
ondergang en schemering, en in de
schemerdiagrammen.
|
|
| |
|
schijnbare afmeting
| |
Zie schijnbare diameter of schijnbare oppervlakte.
|
|
| |
|
schijnbare afstand
| |
1. De schijnbare afstand tussen twee hemelobjecten is de hoek tussen de posities van die twee objecten aan de
sterrenhemel. Een kleine schijnbare afstand betekent dat de twee objecten vrijwel op dezelfde positie aan de hemel
staan. De schijnbare afstand wordt niet gemeten in kilometers of AE, maar in graden, boogminuten
en boogseconden.
De reden dat schijnbare en niet absolute afstanden belangrijk zijn aan de sterrenhemel, is dat wij de hemel zien als een bol,
dat wil zeggen dat alle hemelobjecten op dezelfde afstand schijnen te staan. We zijn dus vooral geïnteresseerd in de richtingen waarin
de objecten staan, hun posities dus. Bijvoorbeeld, tijdens een zonsverduistering
is de schijnbare afstand tussen Zon en Maan erg klein (de Maan bevindt zich immers voor de Zon aan de hemel,
dus ongeveer op dezelfde positie), maar de fysieke afstand tussen de twee objecten is nog altijd zo'n 150 miljoen kilometer.
2. De schijnbare afstand van een object in ons zonnestelsel tot de Aarde is de afstand waarop
bijvoorbeeld een planeet schijnt te staan op het moment van waarnemen. Deze afstand wordt beïnvloed door de
lichttijd van de planeet. Zie schijnbare positie.
|
|
| |
|
schijnbare beweging
| |
De schijnbare beweging van een hemellichaam kan twee betekenissen hebben:
1. de beweging van een object aan de sterrenhemel, dus uitgedrukt in afgelegde schijnbare afstand
per tijdseenheid, bijvoorbeeld graden per dag of boogseconden per eeuw.
2. de beweging die een hemellichaam schijnt te hebben, welke wordt veroorzaakt doordat wij ons op de bewegende Aarde bevinden.
Voorbeelden zijn de schijnbare dagelijkse beweging van de Zon, die wordt veroorzaakt door de as-rotatie, respectievelijk baanbeweging van
de Aarde om de Zon.
|
|
| |
|
schijnbare diameter
| |
De schijnbare diameter van een hemelobject is de hoek die het object inneemt aan de
sterrenhemel. De schijnbare diameter wordt niet gemeten in kilometers of AE, maar in
graden, boogminuten en boogseconden.
Het verschil tussen schijnbare en absolute diameter is dat de eerste rekening houdt met het feit dat een ver object kleiner
schijnt te zijn. Zo zijn Rode Reuzen soms wel 100.000 keer zo groot als de Maan, door hun enorme
afstanden zien we ze slechts als puntjes aan de hemel. De schijnbare diameter van de Maan is ongeveer een halve graad (0,5° = 30’),
de schijnbare diameter van Jupiter is gemiddeld zo'n 40”
(0,6’). In feite is de schijnbare diameter niet meer dan de schijnbare afstand van de ene tot de andere
rand van het schijfje van een hemelobject.
|
|
| |
|
schijnbare magnitude
| |
De schijnbare magnitude geeft de helderheid van een hemelobject aan en wordt meestal afgekort tot simpelweg
magnitude.
|
|
| |
|
schijnbare oppervlakte
| |
De schijnbare oppervlakte van een hemelobject is de oppervlaktehoek die het object inneemt aan de
sterrenhemel. De schijnbare oppervlakte wordt niet gemeten in vierkante meters, maar in vierkante graden,
bijvoorbeeld wanneer we het hebben over de oppervlakte van een sterrenbeeld. De schijnbare oppervlakte is
in feite een tweedimensionale variant van de schijnbare diameter.
|
|
| |
|
schijnbare positie
| |
De schijnbare positie van een object in ons zonnestelsel is de positie waarop bijvoorbeeld een planeet
schijnt te staan op het moment van waarnemen. De exacte positie waarop we de planeet zien is echter anders dan de ware positie; het verschil
wordt veroorzaakt door de lichttijd van het object, waardoor we het waarnemen op de positie waar het stond toen het licht daar vertrok,
en niet op de positie van het moment dat het licht bij ons aankomt. In de tussentijd heeft de planeet verder bewogen in zijn baan om de Zon.
Hiermee moet rekening worden gehouden en wanneer we de exacte positie van een object uit ons zonnestelsel willen berekenen, bijvoorbeeld bij een bedekking door
de Maan of een planeetovergang over de Zon, moeten we de schijnbare positie gebruiken in plaats van de ware positie. Hetzelfde geldt (maar minder
dramatisch) voor de schijnbare afstand.
|
|
| |
|
schijngestalte
| |
Zie fase.
|
|
| |
|
schrikkeldag
| |
Een schrikkeldag is een extra dag die van tijd tot tijd wordt ingevoegd om de seizoenen niet te laten
verschuiven ten opzichte van het kalenderjaar. De schrikkeldag wordt ingevoegd aan het einde van de maand
februari (ooit het einde van het Romeinse kalenderjaar) en 1 maart, en bestempeld als 29 februari. Een kalenderjaar met een schrikkeldag heet een
schrikkeljaar (zie aldaar voor de regels voor schrikkeljaren). Onze
Gregoriaanse kalender kent 97 schrikkeldagen per 400 kalenderjaren.
|
|
| |
|
schrikkeljaar
| |
Een schrikkeljaar is een kalenderjaar met een extra dag, de
schrikkeldag. Een schrikkeljaar duurt hierdoor 366 dagen, een dag langer dan de meeste
kalenderjaren.
In de Gregoriaanse kalender, die onder andere
in de EU wordt gebruikt, zijn de regels voor schrikkeljaren als volgt:
1. ieder vierde jaar, de jaren die deelbaar zijn door 4, is een schrikkeljaar
2. ieder eeuwjaar (deelbaar door 100 en dus ook door 4) is een uitzondering en is geen schrikkeljaar
3. ieder eeuwjaar dat deelbaar is door 400 is een uitzondering op de uitzondering en is wel een schrikkeljaar
Deze regels tezamen betekenen dat de jaren 2004 en 2008 schrikkeljaren waren, 1900 en 2100 niet (eeuwjaren, deelbaar door 100), maar
2000 en 2400 weer wel (deelbaar door 400). Zo kent
iedere periode van 400 jaar dus 100 schrikkeljaren (volgens regel 1), behalve de eeuwjaren (-4, regel 2) en met een extra
schrikkeljaar iedere 400 jaar (+1, regel 3). In totaal zijn er in 400 kalenderjaren dus 100-4+1=97 schrikkeljaren, wat ervoor zorgt
dat het Gregoriaanse jaar vrijwel net zo lang is als het tropische jaar.
|
|
| |
|
schrikkelseconde
| |
Een schrikkelseconde is een extra seconde die van tijd tot tijd wordt ingevoegd om de tijd die wordt aangegeven door atoomklokken
niet meer dan een seconde te laten verschuiven ten opzichte van de zonnetijd. Deze verschuiving wordt veroorzaakt door het
langzaam en onvoorspelbaar afremmen van de aardrotatie. Wanneer de verschuiving is opgelopen tot 0,6s wordt
besloten een schrikkelseconde in te voegen, zodat de verschuiving verspringt naar -0,4s en weer een tijd lang langzaam kan oplopen
(in theorie kan een schrikkelseconde ook negatief zijn, maar de verwachting is dat dit niet of nauwelijks zal voorkomen, omdat de Aarde
gemiddeld genomen vertraagt en niet versnelt in rotatie).
De invoering van een schrikkelseconde wordt normaal gesproken een aantal maanden van tevoren besloten en meestal om
middernacht (betekenis 1) op 30 juni of
31 december (universele tijd (UTC), dus op 1 januari 1 uur wintertijd of 1 juli 2 uur
zomertijd in de Benelux) overal tegelijkertijd ingevoerd. Bij een positieve schrikkelseconde springt de klok van 23:59:59 naar 23:59:60,
naar 00:00:00, bij een negatieve schrikkelseconde van 23:59:58 naar 00:00:00. Schrikkelseconden zijn onder andere ingevoegd op 31 december 2005
en 31 december 2008. Zie Wikipedia voor meer informatie.
|
|
| |
|
seconde
| |
Het woord seconde kan meerdere betekenissen hebben:
1. tijdseenheid:
Een seconde ofwel SI seconde is de basiseenheid van tijd in de natuur- en sterrenkunde. De lengte van een seconde is
gebaseerd op de lengte van 1/86400-ste deel van de gemiddelde zonnedag tussen 1750 en 1892 en exact gedefinieerd als de
duur van 9.192.631.770 perioden van de straling die overeenkomt met de overgang tussen de twee hyperfijnniveaus van de grondtoestand van het cesium-133 atoom.
Een minuut duurt 60 seconden, een uur 60 minuten, dus 60x60 = 3600 seconden en een dag 24 uur,
dus 3600x24 = 86400 seconden. Door deze zeer exacte definitie van de seconde en de precieze tijdmeting met behulp van atoomklokken is
ontdekt dat de rotatie van de Aarde niet constant is. Hierdoor is de gemiddelde zonnedag niet exact gelijk
aan 86400 seconden, zodat af en toe een schrikkelseconde moet worden ingevoegd.
2. hoekmaat:
Voor hoeken die in uren worden weergegeven, zoals de rechte klimming, is de seconde 1/3600-ste deel van
een uur, net als in het geval van de tijd. Voor hoeken die in graden (°) worden weergegeven, zie
boogseconde.
|
|
| |
|
seizoen
| |
Een seizoen of jaargetijde is een periode van ongeveer 3 maanden. De seizoenen zijn het best merkbaar
op hogere en lagere breedten, verder van de evenaar. Een seizoen kenmerkt zich door een hogere of
lagere stand van de Zon aan de hemel, en de daarbij behorende hogere of
lagere temperatuur en langere of kortere perioden van daglicht.
De vier seizoenen zijn winter, lente, zomer en herfst.
Het begin van de seizoenen wordt bepaald door de
equinoxen en solstitia. Een volledige doorloop van de seizoenen
is een tropisch jaar.
Het begin, het einde en de duur van de seizoenen is weergegeven in de tabel
Seizoenen 2001-2050.
|
|
| |
|
siderisch jaar
| |
Een siderisch jaar is de tijd die de Aarde nodig heeft om één volledige omloop om de
Zon te voltooien en weer dezelfde positie tussen de sterren in te nemen (gezien vanaf de Zon).
Omgekeerd is het de periode die de Zon nodig heeft om de hele dierenriem te doorlopen en weer dezelfde
positie tussen de sterren in te nemen, gezien vanaf de Aarde. Het siderisch jaar duurt 365,256 363 051 dagen (in 2000).
Door de precessie is een siderisch jaar niet gelijk aan een tropisch jaar.
Zie ook jaar, betekenis 2.
|
|
| |
|
siderische maand
| |
Een siderische maand is de tijd die de Maan nodig heeft om één volledige omloop om de
Aarde te voltooien en weer dezelfde positie tussen de sterren in te nemen. Een
siderische maand duurt 27,321 662 dagen en wordt iedere 1000 jaar zo'n 0,16 seconden
langer. Zie ook andere betekenissen voor maand.
Voor planeten spreken we van de siderische periode.
|
|
| |
|
siderische periode
| |
De siderische periode van bijvoorbeeld een planeet is de tijd die de planeet nodig heeft om één volledige omloop om de
Zon te voltooien en weer dezelfde positie tussen de sterren in te nemen, zoals
gezien door een denkbeeldige waarnemer op de Zon. Dit is de baanperiode van een planeet. Doordat de Aarde
ook om de Zon beweegt is de siderische periode van een planeet niet gelijk aan de synodische periode.
De siderische periodes van de planeten zijn aangegeven in de tabel
Gegevens van de planeetbanen als Psid.
De siderische periode van de Maan is een siderische maand.
|
|
| |
|
slagschaduw
| |
Een slagschaduw wordt in de sterrenkunde vaak kernschaduw of umbra genoemd.
|
|
| |
|
solstitium
| |
Het solstitium of zonnewende is het moment dat de Zon boven de grootste of kleinste breedte op Aarde staat.
Het begin van de zomer, rond 21 juni, is gedefinieerd als het zomersolstitium, het begin van de winter, rond 21 december,
als het wintersolstitium. In Nederland en België staat de Zon tijdens het zomersolstitium in het hoogste punt
(midzomer), tijdens het wintersolstitium in het laagste punt (midwinter). Voor het zomersolstitium klimt de Zon in hoogte,
tijdens het solstitium (Lat: Sol: Zon, sistere: stilstaan) staat de Zon stil, en keert haar bewegingsrichting om.
De solstitia bepalen mede de seizoenen.
De solstitia voor de Aarde zijn weergegeven in de tabel
Seizoenen 2001-2050.
|
|
| |
|
spectraaltype
| |
Het spectraaltype van een ster wordt bepaald door het spectrum van de
ster te analyseren. Hierbij wordt gekeken naar de sterkte van donkere en heldere lijnen in het spectrum. Het spectraaltype
is vervolgens een maat voor het evolutiestadium waarin de ster zich bevindt.
Het spectraaltype van de Zon is G2V.
De hoofdletter (in dit geval G) is de hoofdindeling, de klassen (van hoge naar lage oppervlaktetemperatuur) omvatten
O, B, A, F, G, K, M. De Zon is dus een vrij koele ster.
Het Arabische cijfer (hier 2) is een onderverdeling van de spectraalklasse. Zo hebben de heetste G sterren spectraaltype
G0, iets koelere hebben G1, vervolgens G2, ..., G9, gevolgd door K0, K1, enzovoorts.
Het Romeinse cijfer V tenslotte heeft niets te maken met de temperatuur van de ster, maar vooral met de zwaartekracht
aan zijn oppervlak en de totale helderheid van de ster. Dit wordt ook wel de helderheidsklasse van de ster genoemd.
De indeling loopt van I tot VII, waarbij klasse V 'normale' of 'dwerg'sterren zijn, ook wel hoofdreekssterren genoemd.
De klassen VI, III, II en I zijn de subreuzen, reuzen, heldere reuzen en superreuzen en worden soms verder onderverdeeld
met een kleine letter a, ab, of b. Tegenwoordig wordt ook wel helderheidsklasse 0 gebruikt
voor hyperreuzen. De klassen VI (subdwergen) en VII (witte dwergen) worden zelden gebruikt.
In sommige gevallen worden na de helderheidsklasse nog een of meerdere kleine letters toegevoegd die bijzondere kenmerken
van de ster weergeven. Veel voorkomende kleine letters zijn e voor emissielijnen en p voor peculiar
('bijzonder', wat dus niet erg informatief is).
Zie ook Welke temperaturen hebben sterren? in de
veelgestelde vragen voor meer informatie over het spectraaltype van hoofdreekssterren (helderheidsklasse V).
|
|
| |
|
spectrum
| |
Een spectrum van het licht van een hemellichaam toont het licht van het object, gesorteerd naar
golflengte (kleur). Een spectrum van zonlicht kan bijvoorbeeld worden verkregen door het licht door een prisma te laten vallen.
De regenboog is een voorbeeld van een spectrum; de kleuren worden gescheiden door breking van het licht in waterdruppels.
Het spectrum van een ster of sterrenstelsel bevat belangrijke informatie over
het object, zoals bijvoorbeeld de (oppervlakte)temperatuur,
samenstelling, (rotatie)snelheid, en meer. Voor sterrenkundigen is het spectrum dan ook een essentiëeel hulpmiddel voor
het doen van onderzoek. Waargenomen sterren worden geclassificeerd naar hun spectraaltype, dat iets
zegt over de evolutiefase van die sterren. Voor meer
informatie, zie Welke kleuren hebben sterren? in de
veelgestelde vragen.
|
|
| |
|
spiraalarm
| |
Een spiraalarm is de lichte, spiraalvormige band in spiraalvormig sterrenstelsel
(spiraalstelsel). Ook ons Melkwegstelsel heeft spiraalarmen.
|
|
| |
|
spiraalstelsel
| |
Spiraalstelsel is de korte aanduiding voor een spiraalvormig sterrenstelsel,
een sterrenstelsel dat meer of minder duidelijke spiraalstructuur vertoont. Deze structuur bevat afwisselend donkere
en lichte banen, de lichte spiraalvormige banen worden spiraalarmen genoemd.
Ons Melkwegstelsel is een spiraalstelsel.
|
|
| |
|
stationair
| |
Een planeet is stationair wanneer de voorwaartse beweging van de planeet ten opzichte van de sterren stopt, om
vervolgens om te keren. De planeet beweegt dan retrograad. Dit gebeurt bijvoorbeeld aan het
begin en einde van een oppositielus.
Gegevens van de de momenten waarop de planeten stationair zijn, zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
|
|
| |
|
ster
| |
Een ster is over het algemeen een gloeiend, gasvormig hemellichaam, dat in zijn eigen
energieproductie voorziet. Helemaal correct is dit niet, omdat de overgang van lichte sterren naar zware
gasplaneten geleidelijk is en dus niet scherp.
Over het algemeen wordt een gasbol die zwaar genoeg is om waterstoffusie in zijn kern te hebben als sterren beschouwd
(zwaarder dan ongeveer 0,08 keer de massa van de Zon). Lichtere sterren die een klein beetje energie produceren (door deuteriumfusie,
maar geen waterstoffusie) worden Bruine Dwergen genoemd. Sterren worden over het algemeen gevormd in
sterhopen. Het bekendste voorbeeld van een ster is natuurlijk de
Zon, de helderste ster aan de hemel na de Zon is Sirius (zie de
lijst met helderste sterren aan de hemel;
gegevens van meer heldere sterren zijn te vinden op de detailpagina's per sterrenbeeld, te bereiken via de
lijst met sterrenbeelden, zie bijvoorbeeld de lijst
met heldere sterren in het sterrenbeeld Grote Beer).
Grote hemellichamen die om een ster draaien en zelf geen ster zijn noemen we planeten. Planeten
die om een andere ster dan de Zon draaien heten exoplaneten.
Veel sterren komen voor in paren, die we dubbelsterren noemen, of zelfs als
driedubbelsterren.
|
|
| |
|
sterhoop
| |
Een sterhoop of stercluster is een groep van enkele duizenden tot enkele miljoenen sterren,
die fysiek bij elkaar horen en dus allemaal ongeveer even ver weg staan. Dit laatste is in tegenstelling tot een
asterisme.
We onderscheiden open sterhopen en bolvormige sterhopen.
|
|
| |
|
sterrenbeeld
| |
Een sterrenbeeld of constellatie is een denkbeeldige figuur die wordt verkregen door (in gedachten) lijnen te
trekken tussen verschillende heldere sterren. Vaak werden deze figuren vereenzelvigd met karakters uit de (Griekse) mythologie.
Bekend zijn onder andere de twaalf (of dertien) sterrenbeelden van de dierenriem. Tegenwoordig is
de hemel volledig opgedeeld in 88 sterrenbeelden (waarvan het sterrenbeeld
Slang is opgedeeld in twee stukken), zodat een
sterrenbeeld niet veel meer is dan een bepaald stukje van de hemel.
Het grootste sterrenbeeld is de Waterslang
en beslaat 1302,8°2, ofwel 3,16% van de hemel, het kleinste is het
Zuiderkruis met 68,4°2 (0,17% van de
hemel).
In moderne toepassing bevatten de namen van veel objecten de naam van het sterrenbeeld waarin ze staan.
Sterrenbeelden die altijd (gedeeltelijk) boven de horizon staan heten (gedeeltelijk) circumpolair.
Zie ook de gegevens van sterrenbeelden.
|
|
| |
|
sterrendag
| |
Een sterrendag is de tijdsduur die nodig is voor een ster (of ander 'vast' object)
om na één volledige aswenteling van de Aarde weer dezelfde positie aan de lokale
hemel in te nemen. De sterrendag is 3 minuten en 56 seconden korter dan een
zonnedag, doordat de Aarde ook in een baan om de Zon
beweegt, en in de loop van een dag ongeveer 1% van haar baan aflegt. Hierdoor lijken de sterren iets
te verschuiven ten opzichte van de Zon, waardoor de Aarde iets minder ver hoeft te roteren om een ster weer in dezelfde positie
te krijgen, vergeleken met de Zon. In een normaal jaar (geen schrikkeljaar) gaan
366 sterrendagen tegen 365 zonnedagen; het verschil zit in die 3,9 minuten: 366 × 3,9 minuten is exact één dag.
|
|
| |
|
sterrenhemel
| |
De sterrenhemel, nachthemel of kortweg hemel is de naam voor de denkbeeldige (halve) bol waaraan alle
niet-aardse objecten kunnen worden waargenomen, in het bijzonder 's nachts (zeker in het geval van nachthemel).
De sterrenhemel bevat hemellichamen zoals de Maan, planeten,
sterren, de Melkweg en deepsky-objecten. Alle hemellichamen
tezamen vormen de hemelbol.
Het woord sterrenhemel wordt zowel gebruikt om de gehele hemelbol aan te duiden, als de halve hemelbol die op een bepaald moment
op een bepaalde plaats kan worden waargenomen. De sterrenhemel die rond de ochtendschemering of
avondschemering zichtbaar is wordt wel
ochtendhemel of avondhemel genoemd.
|
|
| |
|
sterrenstelsel
| |
Een sterrenstelsel is een grote verzameling van sterren, sterhopen, gasnevels,
stofwolken, et cetera. Een typisch sterrenstelsel heeft zo tussen de 1 miljard (1.000.000.000) en 1 biljoen (1.000.000.000.000) sterren. Bekend
zijn de foto's van sterrenstelsels met een mooie spiraalstructuur, maar er bestaan ook elliptische en onregelmatig gevormde
sterrenstelsels. Ons zonnestelsel bevindt zich in het sterrenstelsel dat we het
Melkwegstelsel noemen, een vrij groot spiraalstelsel met naar schatting
circa 200 miljard sterren, waar de Zon er een van is. Sterrenstelsels worden vaak ook melkwegstelsels
genoemd, maar feitelijk is dit onjuist (op dezelfde manier als 'sterren' geen 'zonnen' zijn). Een bekend sterrenstelsel is de
Andromedanevel, een groot spiraalstelsel dat zich op circa 2 miljoen lichtjaar van ons Melkwegstelsel
bevindt en met wat moeite met het blote oog kan worden onderscheiden. Op het zuidelijk halfrond zijn met name de onregelmatige
sterrenstelsels de Grote Magelhaese Wolk en de Kleine Magelhaese Wolk opvallend.
Sterrenstelsels komen meestal voor in groepen, en deze groepen vormen weer clusters.
Een bekend spiraalstelsel op het noordelijk halfrond is M101 in het sterrenbeeld
Grote Beer.
Sterrenstelsels maken deel uit van de deepsky-objecten.
|
|
| |
|
sterrentijd
| |
De sterrentijd verschilt van de zonnetijd, doordat de zonnedag afwijkt van de
sterrendag. Zoals de oorspronkelijke definitie van de zonnedag (voor de invoering van tijdzones)
ervoor zorgt dat de Zon steeds om 12 uur 's middags in het zuiden staat, zo staat het lentepunt om
0 uur lokale sterrentijd in het zuiden. De sterrentijd is belangrijk voor het berekenen van de lokale posities van
hemellichamen: de uurhoek van een object is het verschil tussen de lokale sterrentijd
en de rechte klimming van het object.
|
|
| |
|
straal
| |
De straal of radius van een cirkel is de halve diameter. Aan de hemel gebruiken we soms de schijnbare straal,
dus de halve schijnbare diameter van bijvoorbeeld de Zon of de Maan.
|
|
| |
|
synodische maand
| |
Een synodische maand is de tijd die de Maan nodig heeft om eenmaal volledig zijn fasen
te doorlopen, dus van Nieuwe Maan tot Nieuwe Maan. De synodische maand is langer dan de
siderische maand, doordat tegen de tijd dat de Maan een omloop rond de Aarde
voltooid heeft, de Aarde zo'n 8% van haar baan om de Zon heeft afgelegd, waardoor
de Maan nog circa twee dagen extra moet bewegen om in dezelfde fase uit te komen. Een synodische maand
duurt 29,530 589 dagen en wordt iedere 1000 jaar zo'n 0,19 seconden langer. Zie ook andere definities
voor de tijdspanne van een maand. Zie ook synodische periode.
|
|
| |
|
synodische pediode
| |
De synodische periode van bijvoorbeeld een planeet is de tijd die de planeet nodig heeft om eenmaal
volledig zijn baan ten opzichte van de Zon af te leggen, als gezien door een waarnemer
op Aarde. Het is dus de periode tussen twee opposities of conjuncties van
een planeet. De synodische periodes van de planeten zijn aangegeven in de tabel
Gegevens van de planeetbanen als Psyn.
De werkelijke omloopperiode van een planeet heet de siderische periode.
De synodische periode van de Maan is een synodische maand.
|
 |
|
| |
|
tijdsvereffening
| |
Met het woord tijdsvereffening (Engels: equation of time) wordt het verschil in lengte van de zonnedag
aangeduid dat wordt veroorzaakt door de elliptische vorm van de baan van de Aarde. De tijdsvereffening
geeft aan hoeveel minuten de Zon eerder of later door het zuiden trekt dan gemiddeld.
De tijdsvereffening wordt vaak afgebeeld op de horizontale as van een analemma.
|
|
| |
|
tijdzone
| |
De Aarde is tegenwoordig opgedeeld in ongeveer 24 tijdzones, die vrijwel allemaal een geheel aantal
uren van elkaar verschillen (er zijn uitzonderingen van tijdzones waarin de klokken een half uur vroeger of later aangeven dan
in de aangrenzende zone). Voor de invoering van tijdzones had vrijwel iedere stad zijn eigen lokale tijd,
wat onpraktisch is bij het reizen tussen steden. De huidige tijdzones zijn gemiddeld 15 geografische lengtegraden breed, wat
precies overeenkomt met een uur tijdsverschil (de Aarde kent immers 360° en roteert eenmaal in 24 uur, wat 15°/uur oplevert),
wat het omrekenen van de tijd gemakkelijker maakt. Wanneer men 15° en een tijdzone naar het oosten reist, dan staat de
Zon daar een uur eerder in het zuiden. De klokken geven op ieder moment echter ook een uur later
aan zodat het tijdstip in lokale tijd van de culminatie van de Zon (ongeveer) hetzelfde is.
Het uitgangspunt van de tijdzones is de meridiaan van Greenwich, die de nulmeridiaan wordt genoemd.
Hoewel Nederland en België een tijdsverschil van slechts 20 minuten kennen met de Universal Time (UT),
is de Benelux ingedeeld in de Midden-Europese Tijd (MET). Nu ligt de zonegrens tussen het Verenigd Koninkrijk en
de Benelux, in plaats van tussen de Benelux en Duitsland, een natuurlijker grens dus. Voor meer details, zie de uitleg bij de pagina
Utrechtse Middelbare Tijd.
|
|
| |
|
topocentrische positie
| |
De topocentrische positie (Grieks: topos: plaats) is de positie van een nabij hemellichaam,
zoals de Maan, voor een waarnemer op een bepaalde plaats op Aarde. Voor
twee waarnemers die zich ver van elkaar vandaan bevinden neemt de Maan verschillende posities in tussen de achtergrondsterren
(net als de vinger aan je uitgestrekte arm verschillende posities inneemt ten opzichte van de achtergrond wanneer je afwisselend
met een van beide ogen kijkt. Om de topocentrische positie uit te rekenen wordt eerst de
geocentrische positie bepaald en vervolgens gecorrigeerd voor de exacte plaats op Aarde van de
waarnemer. De topocentrische positie is belangrijk
voor de relatief nabije objecten in het zonnestelsel, voor 'vaste' objecten,
die praktisch 'oneindig ver weg' staan, is de topocentrische positie gelijk aan de geocentrische positie.
|
|
| |
|
transit
| |
Het woord transit (Latijn: trans: door, ire: gaan) is in de sterrenkunde een synoniem voor
doorgang (door het zuiden).
|
|
| |
|
tropisch jaar
| |
Een tropisch jaar is de tijd die verloopt tussen twee gelijke equinoxen of twee gelijke
solstitia en dus de tijd die nodig is voor één volledige rondgang door alle vier
de seizoenen. Het tropisch jaar duurt 365,242 189 67 dagen (in 2000). Door de
precessie is een tropisch jaar circa 0,014 dagen (ongeveer 20 minuten) korter dan een
siderisch jaar. De Gregoriaanse kalender is gebaseerd op
het tropisch jaar, waardoor de seizoenen niet (of nauwelijks) verschuiven. Zie ook jaar, betekenis 2.
|
 |
|
| |
|
umbra
| |
De term umbra is Latijn voor schaduw en wordt gebruikt voor:
1. maansverduistering: de slagschaduw of kernschaduw van
de Aarde op de Maan tijdens een maansverduistering;
2. zonsverduistering: de slagschaduw of kernschaduw van de Maan op de Aarde tijdens een totale
zonsverduistering;
3. zonnevlek: de donkere kern van een zonnevlek.
De term umbra staat in tegenstelling tot penumbra.
|
|
| |
|
UT
| |
De afkorting UT staat voor Universal Time (universele tijd). Dit is de tijd die geldt voor de nulmeridiaan,
die door de sterrenwacht van Greenwich, in London, loopt. De UT wordt daarom ook wel Greenwich-tijd of wereldtijd genoemd. De
UT loopt 1 uur achter op de MET en 2 uur achter op de MEZT.
|
|
| |
|
uur
| |
1. tijdseenheid: een uur is een 24e deel van een dag en duurt 3600 seconden.
2. positie: een uur is een 24e deel van een cirkel (dus 15 graden) en wordt gebruikt om de
rechte klimming van een hemellichaam aan te geven.
|
|
| |
|
uurhoek
| |
De uurhoek is een coördinaat vergelijkbaar met de rechte klimming en wordt gebruit tezamen met
de declinatie om de positie van een hemelobject aan de lokale hemel
aan te geven.
Het verschil tussen de uurhoek en de rechte klimming is de lokale sterrentijd en de sterrentijd is dus
nodig om de uurhoek van een object uit te rekenen.
De uurhoek wordt uitgedrukt in uren, minuten en seconden en drukt uit hoeveel
tijd is verstreken sinds het object de meridiaan is gepasseerd. Een uurhoek tussen 0 en 12 uur geeft
aan dat het object de meridiaan al gepasseerd is, een uurhoek tussen 12 en 24 uur betekent dat het object de meridiaan nog moet passeren.
De uurhoek wordt gebruikt om rechte klimming en declinatie om te rekenen in de lokale coördinaten azimut
en hoogte.
|
 |
|
| |
|
vallende ster
| |
Zie: meteoor.
|
|
| |
|
vast object
| |
De 'vaste' objecten zijn de hemellichamen die niet direct (met het blote oog en in de loop van dagen,
maanden of jaren) lijken te bewegen aan de sterrenhemel, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de
Maan en planeten (we bedoelen hier dus niet de dagelijkse, schijnbare beweging
van bijvoorbeeld Zon en sterren door de rotatie van de Aarde, maar de
intrinsieke, ruimtelijke beweging van de objecten zelf). In de
praktijk komt dit neer op objecten die zich niet in het zonnestelsel bevinden, zoals sterren
en deepsky-objecten. De term 'vast' is uiteraard enigszins misleidend; sterren bewegen wel degelijk door het
heelal, maar hun eigenbeweging en radiële snelheden zijn pas ontdekt
na de uitvinding van de telescoop.
|
|
| |
|
vierkante graad
| |
Een vierkante graad (°2) is een maat voor schijnbare oppervlakte aan de sterrenhemel, en wordt gebruikt om
bijvoorbeeld de grootte van een sterrenbeeld aan te geven. Zoals de meter (m) een maat is voor afstand
en de vierkante meter (m2) voor oppervlakte, zo zijn de graad (°) en vierkante graad (°2) maten voor
schijnbare afstand en schijnbare oppervlakte aan de hemel. Er gaan circa 41.253°2 (3602/π) in de hemelbol.
Het grootste sterrenbeeld aan de hemel is de Waterslang
en beslaat 1302,8°2, ofwel 3,16% van de hemel, het kleinste is het
Zuiderkruis met 68,4°2 (0,17% van de
hemel). De (Volle) Maan heeft een schijnbare oppervlakte van gemiddeld 0,21°2 — er is een oppervlakte
van bijna 200.000 Volle Manen nodig om de hemel volledig te bedekken.
|
|
| |
|
Volle Maan
| |
Volle Maan is de maanfase waarbij de Maan volledig verlicht is. Doordat de
Zon precies één helft van de Maan verlicht, en de Maan om de
Aarde draait, zien we alleen soms de hele verlichte kant van de Maan. Dit noemen we Volle Maan.
Maansverduisteringen kunnen alleen bij Volle Maan voorkomen.
Een tweede Volle Maan in dezelfde maand wordt een Blauwe Maan genoemd.
Zie ook maanfasen.
|
|
| |
|
voorjaar
| |
Zie lente.
|
|
| |
|
vuurbol
| |
Een zeer heldere meteoor wordt ook wel een vuurbol genoemd. Officiëel
moet de meteoor hiervoor helderder zijn dan de planeet
Venus.
|
 |
|
| |
|
windrichting
| |
De windrichting, zoals noord of zuid-oost wordt gebruikt om aan te geven waar een hemellichaam
boven de horizon staat. Er zijn vier hoofdwindrichtingen: Noord, Oost, Zuid en West. De vier secundaire
windrichtingen liggen precies tussen de twee hoofdwindrichtingen waarmee ze worden aangeduid in, bijvoorbeeld ZW ligt precies tussen Z en W.
De acht tertiaire windrichtingen liggen exact tussen een secundaire en een primaire windrichting, bijvoorbeeld ZZW (te lezen als
Z-ZW) ligt ten Z van ZW en dus precies tussen ZW en Z.
Voor een preciezere indicatie gebruiken we in de sterrenkunde meestal de term azimut, uitgedrukt in
graden. Officieel is in de sterrenkunde Z=0°, maar op deze website gebruiken we de meer intuïtieve
definitie N=0° (zoals bijvoorbeeld op een kompas). De definities van de andere windrichtingen zijn te vinden in deze tabel:
| N | 0°/360° | |
O | 90° | |
Z | 180° | |
W | 270° | |
| NNO | 22,5° | |
OZO | 112,5° | |
ZZW | 202,5° | |
WNW | 292,5° | |
| NO | 45° | |
ZO | 135° | |
ZW | 225° | |
NW | 315° | |
| ONO | 67,5° | |
ZZO | 157,5° | |
WZW | 247,5° | |
NNW | 337,5° | |
De nauwkeurigheid van de windrichtingen is dus 22,5°, zodat het azimut uitkomst biedt wanneer preciezere posities nodig zijn.
|
|
| |
|
winter
| |
De winter is een van de vier seizoenen in het jaar, de andere zijn lente,
zomer en herfst. De winter op het noordelijk halfrond begint met het
wintersolstitium en eindigt met de herfst-equinox. Onze winter duurt van ruwweg 21 december tot
21 maart en is met ongeveer 89 dagen de kortste van de vier seizoenen (zie de tabel
De seizoenen). Het verschil in lengte tussen de seizoenen wordt
veroorzaakt door de excentriciteit van de aardbaan.
|
|
| |
|
wintertijd
| |
De wintertijd of winteruur is de standaard-tijdzone die in landen op hogere geografische breedte geldt tijdens de periode
die ruwweg van de herfst tot de lente loopt. In de overige maanden geldt in deze landen dan de zomertijd.
In de Benelux geldt 's winters de MET.
Zie ook: Begin en einde van de zomertijd.
|
|
|
 |
|
| |
|
zenit
| |
Het zenit is de naam voor het punt aan de hemel dat zich recht boven je hoofd bevindt. Het zenit
heeft dus een hoogte boven de horizon van negentig graden (90°).
Er staat geen 'vaste' ster in het zenit, dit hangt af van de plaats op Aarde, de datum en de tijd. Het punt
recht tegenover het zenit wordt het nadir genoemd.
|
|
| |
|
ZHR
| |
De afkorting ZHR staat voor de Engelse term Zenithal Hourly Rate, oftwel aantal per uur in het zenit,
en is de maat voor het uurlijkse aantal meteoren in een meteorenzwerm. De ZHR is het aantal
meteoren dat onder ideale omstandigheden (geen Maan, radiant van de zwerm in het zenit, donkere,
heldere nacht) in een uur kan worden waargenomen met het blote oog. De grotere meteoorzwermen hebben tot 100 meteoren per uur, de kleinere laten
slechts enkele per uur zien.
Zie de tabel Jaarlijkse meteoorzwermen voor gegevens
van de belangrijkste zwermen en meer informatie.
|
|
| |
|
zodiak
| |
Zie: dierenriem.
|
|
| |
|
zomer
| |
De zomer is een van de vier seizoenen in het jaar, de andere zijn herfst,
winter en lente. De zomer op het noordelijk halfrond begint met het
zomersolstitium en eindigt met de herfstequinox. Onze zomer duurt van ruwweg 21 juni tot
23 september en is met ruim 93,5 dagen de langste van de vier seizoenen (zie de tabel
De seizoenen), waardoor bij ons
de Zon gemiddeld ruim 4 minuten per dag langer boven de horizon staat.
Het verschil in lengte tussen de seizoenen wordt veroorzaakt door de excentriciteit van de aardbaan.
|
|
| |
|
zomertijd
| |
De zomertijd (in Vlaanderen soms zomeruur; Engels: daylight-saving time, DST)
is de tijdzone die in landen op hogere geografische breedte geldt tijdens de periode
die ongeveer van de lente tot de herfst loopt. Gedurende deze periode wordt de klok 1 uur vooruit gezet
ten opzichte van de standaardtijd, die in dat geval ook wintertijd wordt genoemd. Op die
manier is het 's avonds langer licht en kan er energie worden bespaard op bijvoorbeeld verlichting.
Op dit moment (2006) begint de zomertijd in de E.U. op de laatste zondag van maart en eindigt op de laatste
zondag van oktober. In landen dichter bij de evenaar geldt meestal geen zomertijd, omdat het effect van de
seizoenen (zoals lange zomeravonden) daar (veel) geringer is. In de Benelux geldt 's zomers de MEZT.
Zie ook: Begin en einde van de zomertijd.
|
|
| |
|
Zon
| |
De Zon is de centrale (en enige) ster van ons zonnestelsel
en bevat circa 99,99% van zijn massa. Doordat de Zon veel zwaarder is dan enig ander object in ons zonnestelsel,
bewegen alle andere objecten in het zonnestelsel om de Zon. De Zon is het enige object in ons zonnestelsel dat
zelf licht produceert, de andere hemellichamen reflecteren slechts zonlicht.
De Zon heeft een diameter van ongeveer 1,4 miljoen km (ruim 100 keer zo groot als de Aarde) en een oppervlaktetemperatuur
van circa 5500°C. De lichtkracht van de Zon is circa 4×1026 Watt, ofwel 400.000.000.000.000.000.000.000.000 Watt.
Op het oppervlak van de Zon zijn regelmatig donkere zonnevlekken te zien.
Al het leven op Aarde is (direct of indirect) afhankelijk van de energie van de Zon. De Zon vormt ook de basis voor
de meest primitieve vorm van tijdmeting: de zonnetijd.
|
|
| |
|
zonnedag
| |
Een zonnedag is een dag gemeten in zonnetijd, dat wil zeggen de tijd die verloopt
tussen tweemaal een doorgang van de Zon in het zuiden.
Daar de Aarde naast haar as-rotatie ook nog om de Zon beweegt, legt zij
gedurende één rotatieperiode ongeveer 1% van haar baan om de Zon af, waardoor een
ster al binnen 24 uur weer op dezelfde plaats aan de hemel staat. De lengte van een
sterrendag is hierdoor circa 3 minuten en 56 seconden korter
dan een zonnedag.
Doordat de baan van de Aarde een ellips is, beweegt deze niet het hele
jaar door even snel, waardoor de zonnedag niet altijd even lang is. Het aantal minuten dat
de Zon eerder of later door het zuiden trekt heet tijdsvereffening en wordt vaak
afgebeeld in een analemma. Om die reden is de lengte van een etmaal
niet gelijk aan die van een specifieke zonnedag, maar aan de gemiddelde lengte van een zonnedag.
|
|
| |
|
zonnestelsel
| |
Met het zonnestelsel wordt de Zon bedoeld, met "alles wat daarbij hoort", dat wil
zeggen, alle hemellichamen die door de zwaartekracht aan de Zon zijn gebonden:
planeten,
manen, planetoïden, meteoroïden en
kometen. In feite zijn al deze hemellichamen de 'restanten' die zijn overgebleven van
het ontstaan van de Zon. Andere sterren kunnen net als de Zon planeten hebben, en
waarschijnlijk ook hele 'zonnestelsels', die we dan waarschijnlijk planetenstelsels
zouden moeten noemen.
|
|
| |
|
zonnetijd
| |
De zonnetijd is het tijdssysteem dat gebaseerd is op de dagelijkse beweging van de Zon.
De ware zonnetijd wordt weergegeven door een zonnewijzer. Doordat de zonnetijd zo gemakkelijk gemeten kan
worden, was het het eerste tijdssysteem dat door mensen (en in feite ook door planten en dieren) gebruikt werd.
In dit systeem vindt het midden van de dag (de middag) plaats op het moment van de doorgang van de Zon
door het zuiden. Nadelen, en reden om een nieuw systeem te ontwerpen, zijn met name het feit dat de middag op een
(iets) ander moment plaats vindt voor verschillende plaatsen op Aarde, en dat de lengte van
de zonnedag (de tijd tussen twee middagen) licht variëert gedurende de seizoenen.
Dit maakt het lastig om een exact tijdstip te definiëren. Zie de pagina
Utrechtse Middelbare Tijd
voor meer details en de middelbare zonnetijd voor Utrecht.
|
|
| |
|
zonnevlek
| |
Een zonnevlek is een (relatief) klein, donker gebiedje op het oppervlak van de Zon.
Een zonnevlek ontstaat wanneer het oppervlak van de Zon lokaal afkoelt van de normale temperatuur van circa 5500°C
tot ruwweg 4500°C. Dit is nog steeds erg heet, maar 'koeler' dan de omgeving, waardoor dit gebiedje op het
zonne-oppervlak minder licht uitzendt en dus donker afsteekt tegen de fellere omgeving. De kern van een zonnevlek
is het koelst en dus het donkerst. Deze kern wordt aangeduid met de term umbra. Rondom de
umbra bevindt zich meestal een gebiedje dat minder afgekoeld is en dus minder donker. Dit wordt de penumbra
genoemd. Zonnevlekken hebben typisch diameters van enkele honderden tot enkele duizenden kilometers, en bestaan normaal gesproken
enkele uren (voor de kleinere vlekken) tot enkele dagen of zelfs weken voor de grotere vlekken. De zonnevlekken
ontstaan door de magnetische activiteit van de Zon, die ook uitbarstingen veroorzaakt. Deze activiteit, en dus ook
het aantal zonnevlekken, kent een periode van circa 11 jaar. In 1997 en 2008 vond een minimum plaats in het aantal
zonnevlekken.
|
|
| |
|
zonnewende
| |
Synoniem voor solstitium.
|
|
| |
|
zonsondergang
| |
Zie ondergang.
|
|
| |
|
zonsopkomst
| |
Zie opkomst.
|
|
| |
|
zonstraal
| |
Een zonstraal of Ro (dus niet zonnestraal) is een afstandmaat gelijk aan de straal
van de Zon die met name wordt gebruikt om de fysieke grootte van een ster aan te geven.
1 Ro = 696.000 km.
|
|
| |
|
zonsverduistering
| |
Bij een zonsverduistering of zonne-eclips schuift de Maan tussen de Aarde
en de Zon, zodat
de Zon vanaf de Aarde gezien wordt afgedekt. We spreken van een gedeeltelijke zonsverduistering wanneer
slechts een deel van de Zon wordt afgedekt, van een totale zonsverduistering wanneer de gehele
zonneschijf wordt verduisterd (en de Maan dus midden voor de Zon staat) en van een ringvormige zonsverduistering
wanneer de Maan midden voor de Zon staat, maar te klein is om de gehele Zon af te
dekken, zodat er nog een ringetje van zonlicht zichtbaar is. Totale en ringvormige zonsverduisteringen
worden samen centrale zonsverduisteringen genoemd. Een gedeeltelijke zonsverduistering is vaak vanaf
een groot deel van de Aarde zichtbaar, terwijl een centrale eclips meestal alleen vanaf een lange, smalle
strook op Aarde te zien is. Een zonsverduistering vindt altijd plaats bij Nieuwe Maan,
maar, door de inclinatie van de maanbaan, niet bij iedere Nieuwe Maan.
Om een eclips te veroorzaken moet de Nieuwe Maan dicht bij een van de knopen van de maanbaan
plaatsvinden. Beknopte gegevens voor zonsverduisteringen zijn te vinden in de tabel
Zonsverduisteringen in Nederland en België, 2000-2099,
details in de tabel
Zonsverduisteringen in Nederland en België, 2000-2009.
Zie ook: Hoe ontstaat een zonsverduistering? in de veelgestelde vragen.
|
|
| |
|
zuidpool
| |
Zie pool.
|
|