Terug   -   De sterrenhemel voor Nederland en België


Uitleg bij de kaartjes: Verschijningen van de binnenplaneten



De kaartjes
De kaartjes laten de positie van de binnenplaneet (Mercurius of Venus) zien, op het moment dat de Zon 6° onder de horizon staat. Dit is dus niet op een vast tijdstip, maar bij steeds dezelfde mate van schemering. Staat de Zon minder diep onder de horizon dan is de hemel lichter en is de planeet dus moeilijker te zien. Staat de Zon dieper onder de horizon, dan is de hemel weliswaar donkerder, maar staat de planeet ook lager, of is zelfs onder de horizon. Het kaartje laat de horizon zien, met daarop de windrichting waarin de planeet te zien is. Het schaalbalkje links of rechts van de planeet laat de schaal in verticale richting zien. Ieder puntje geeft de planeet weer op een bepaalde dag, op het tijdstip dat de Zon 6° onder de horizon staat. U ziet dus direct waar en hoe hoog boven de horizon de planeet te vinden is. De grootte van het planeetstipje is een maat voor de helderheid; hoe groter de stip, des te helderder de planeet. Bij Venus verandert de helderheid niet veel en is de helderheid alleen op iedere vijfde dag uit de grootte van het stipje af te lezen. Bij Venus duren de periodes van zichtbaarheid enige maanden. Hier is voor iedere eerste dag van de maand het maandnummer (1=januari, etc.) weergegeven. Bij zowel Mercurius als Venus is de positie op de eerste dag van iedere maand in rood aangegeven.

Op de kaart zijn geen sterren aangegeven. De reden hiervoor is dat de kaartjes vaak de positie van de planeet laten zien gedurende een maand of meer, op steeds andere tijdstippen. De posities van de sterren veranderen nogal in die maand, en iedere ster zou dan dus ook zo'n 30 keer worden afgebeeld, waardoor het kaartje volstrekt chaotisch zou worden.


Zichtbaarheid van de binnenplaneten
De binnenplaneten staan dichter bij de Zon dan de Aarde en staan daardoor vanaf de Aarde gezien altijd in de buurt van de Zon. Met name Mercurius is om die reden alleen op bepaalde, vrij korte momenten in de schemering te zien.

Wanneer een binnenplaneet ten oosten van de Zon staat, noemen we dit de oostelijke elongatie. De planeet gaat dan na de Zon onder (de Zon lijkt immers dagelijks van oost naar west te bewegen, de planeet volgt dan dus de Zon) en is in de avondschemering in het westen zichtbaar. De planeet wordt dan ook wel avondster en zijn elongatie avondelongatie genoemd.
Staat een binnenplaneet in westelijke elongatie, dan beweegt de planeet voor de Zon uit en komt dus 's ochtends voor de Zon op in het oosten. De planeet heet dan ochtendster en is in ochtendelongatie.

Wanneer de planeet op maximale schijnbare afstand van de Zon staat, wordt dit de grootste oostelijke/westelijke elongatie genoemd. In principe is het moment van grootste elongatie het meest gunstig om de planeet waar te nemen. Dat is ook de reden waarom dit verschijnsel is opgenomen in de interactieve applet: Planeetverschijnselen. Een grote afstand tot de Zon is echter niet het enige dat belangrijk is. Het tweede vereiste is namelijk dat de planeet niet te kort voor of na de Zon opkomt of onder gaat. Of dit het geval is, hangt af van de hoek die de ecliptica maakt met de horizon rond het tijdtip van zonsopkomst dan wel -ondergang. Maakt de ecliptica een kleine hoek met de horizon, dan staat een binnenplaneet in grootste elongatie weliswaar ver van de Zon, maar voornamelijk naast de Zon, zodat beide objecten vrijwel gelijktijdig opkomen of ondergaan. Maakt de ecliptica daarentegen een grote hoek met de horizon, dan staat de planeet vooral boven de Zon en liggen de tijdstippen van opkomst of ondergang van de Zon en de planeet veel verder van elkaar.

In het voorjaar blijkt de ecliptica 's avonds een grote 's ochtends een kleine hoek te maken met de horizon. Dat betekent dat de avondverschijningen van de binnenplaneten in het voorjaar meestal gunstig zijn, de ochtendverschijningen juist niet. In het najaar is de situatie precies omgekeerd: dan zijn de planeten meestal goed zichtbaar aan de ochtendhemel en slecht zichtbaar aan de avondhemel. Voor Venus betekent dit dat de planeet in het ene geval goed zichtbaar is en in het andere geval minder goed. Voor Mercurius, die zich veel dichter bij de Zon bevindt, is het effect veel groter. Over het algemeen is Mercurius in het gunstige geval redelijk zichtbaar en in het ongunstige geval helemaal niet.

 
Figuur 1a: Mercurius in grootste avondelongatie in mei 2008.   Figuur 1b: Mercurius in grootste avondelongatie in september 2008.


De figuur hierboven toont het effect van de hoek tussen de horizon (groen) en de ecliptica (gele stippellijn) op de zichtbaarheid van Mercurius. De schaal voor beide kaartjes is dezelfde. De kaartjes zijn gemaakt voor het moment van zonsondergang, de Zon is het gele schijfje op het punt waar de ecliptica de horion snijdt. Het linker kaartje (figuur 1a) is voor 14 mei 2008, in het voorjaar dus. De hoek tussen ecliptica en horizon is vrij groot. Mercurius staat op een afstand van slechts 21,8° van de Zon en gaat meer dan 2 uur na de Zon onder. Op het moment dat de burgerlijke schemering eindigt, staat Mercurius ruim 10° boven de horizon. Figuur 1b is voor Mercurius' grootste avondelongatie in het najaar van 2008, op 11 september. De hoek tussen ecliptica en horizon is nu veel kleiner. Ook dit kaartje is gemaakt voor het moment van zonsondergang, maar het is meteen duidelijk dat Mercurius veel lager boven de horizon staat dan in het vorige plaatje. De afstand tussen Mercurius en de Zon bedraagt in dit geval 26,9°, ruim 20% meer dan in het vorige kaartje, maar desondanks staat Mercurius bij het einde van de schemering bijna een graad onder de horizon en gaat de planeet slechts iets meer dan een half uur na de Zon onder. Dit komt hoofdzakelijk door de kleinere hoek tussen ecliptica en horizon, waardoor Mercurius meer naast de Zon staat dan erboven.

Uit figuur 1 blijkt duidelijk dat de hoek tussen de ecliptica en de horizon de grootste bijdrage levert aan het verschil in zichtbaarheid van Mercurius. Daarnaast speelt in dit specifieke geval mee dat Mercurius zich in het eerste geval iets boven de ecliptica bevindt en in het tweede geval iets eronder, wat het effect versterkt. De bijdrage van de positie van Mercurius ten opzichte van de ecliptica is kleiner dan die van de hoek tussen ecliptica en horizon, en kan het effect zowel versterken (zoals in dit voorbeeld) als verzwakken.



Ga naar de horizonkaartjes voor Mercurius
Ga naar de horizonkaartjes voor Venus


Terug