Terug   -   De sterrenhemel voor Nederland en België


Verklarende woordenlijst

a - b - c - d - e - f - g - h - i - j - k - l - m - n - o - p - q - r - s - t - u - v - w - x - y - z

aarde     De Aarde is één van de acht planeten van ons zonnestelsel. Vanaf de Zon gezien is de Aarde de derde planeet. Om de Aarde draait één satelliet die we de Maan noemen. De Aarde is de enige planeet waarvan we weten dat er leven op voorkomt.

aardse planeet     Een aardse planeet (ook wel rotsplaneet genoemd) is een planeet die uit vaste rots bestaat en qua samenstelling, afmetingen en massa op de Aarde lijkt. De aardse planeten in ons zonnestelsel zijn Mercurius, Venus, de Aarde en Mars. De Aarde is de grootste van deze vier planeten en een stuk kleiner dan de gasplaneten. De aardse planeten bevinden zich bovendien dichter bij de Zon.

afplatting     De afplatting van een planeet is de grootheid die aangeeft in hoeverre de vorm van de planeet afwijkt van een bol. Door de rotatie is een planeet vaak een beetje afgeplat aan de polen en stulpt deze uit aan de equator. Deze vorm van een afgeplatte bol wordt oblate ellipsoïde genoemd. Een planeet met een afplatting gelijk aan nul is een perfecte bol, hoe dichter de afplatting bij één ligt, des te 'platter' is de planeet. Voor de planeten in ons zonnestelsel is het effect van afplatting het grootst bij de planeet Jupiter, door de grote afmetingen en de snelle rotatie van deze planeet. Afplattingen van de gasplaneten zijn over het algemeen groter dan die van de aardse planeten. De afplattingen van de verschillende planeten zijn te vinden in de kolom "e" van de tabel Gegevens van de planeten. De afplatting van een planeetbaan wordt excentriciteit genoemd.

anomalistische maand     De anomalistische maand is de tijdspanne tussen tweemaal dezelfde apside van de Maan (twee perigea of apogea). De anomalistische maand duurt gemiddeld circa 27,5545499 dagen en wordt iedere 1000 jaar ongeveer 0,9 seconden korter.

aphelium     Het punt van de elliptische baan van een planeet, planetoïde of periodieke komeet, dat het verst van de Zon ligt. De Aarde staat rond 4 juli in het aphelium, zodat de Zon dan kleiner lijkt dan gemiddeld. (Gr.: apo: veraf, Helios: Zon). Gegevens van het aphelium voor iedere planeet zijn te vinden in de tabel planeetverschijnselen. Zie ook: perihelium.

apogeum     Het punt van de elliptische baan van de Maan of een kunstsatelliet, dat het verst van de Aarde ligt en dus een apside. Wanneer de Maan in het apogeum staat, staat deze verder weg en heeft een kleinere schijnbare diameter. (Gr.: apo: veraf, Gaia: Aarde). De periode tussen twee apogea heet de anomalistische maand. Gegevens van het apogeum van de Maan zijn te vinden in de tabel verschijnselen van de Maan. Zie ook: perigeum.

apside     Een apside of apsis is een van de twee extreme punten van de elliptische baan van een hemellichaam, ofwel het punt dat het dichtste bij (peri-) het omcirkelde object ligt, ofwel het punt dat daar het verst vandaan (apo-) ligt. Bij een object dat om de Zon draait spreken we van perihelium en aphelium, bij de Aarde van perigeum en apogeum en in een dubbelster van periastron en apastron. Gegevens van de apsiden voor iedere planeet zijn te vinden in de tabel planeetverschijnselen, en voor de Maan in de tabel verschijnselen van de Maan.

asteroïde     Zie planetoïde.

astronomische eenheid     De astronomische eenheid (A.E.) is een afstandsmaat die wordt gebruikt om afstanden binnen het zonnestelsel aan te geven. 1 A.E. is de (gemiddelde) afstand van de Aarde tot de Zon, ongeveer 149,6 miljoen km (149.600.000 km). Om grotere afstanden aan te geven wordt meestal het lichtjaar of de parsec gebruikt. Er gaan ongeveer 63.240 A.E. in een lichtjaar en circa 206.265 A.E. in een parsec.

astronomische schemering     Met de term astronomische schemering duidt een sterrenkundige dat deel van een etmaal aan, waarin de Zon minder dan 18° onder de horizon staat. Dit is dus de gehele periode van daglicht, plus (meestal) een deel van de avond en ochtend. In de Benelux staat de Zon echter midden in de nacht minder dan 18° onder de horizon en dus vindt gedurende de gehele nacht de astronomische schemering plaats. Het deel van de nacht waarin de Zon meer dan 18° onder de horizon staat, en wanneer het dus helemaal donker is, noemen we astronomische nacht. Zie bij schemering voor meer informatie. Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de interactieve en niet-interactieve tabellen voor opkomst, ondergang en schemering, en in de schemerdiagrammen.

azimut     Het azimut (az.) van een hemellichaam geeft aan in welke (wind)richting het object aan de hemel staat. Het azimut van een object hangt dus af van de plaats op Aarde, iedere plaats op Aarde heeft immers een (net) iets andere sterrenhemel. Zo kan het zijn dat in Europa de Zon in het westen staat, en dus bijna ondergaat, terwijl diezelfde Zon in Amerika op dat moment pas net opkomt en dus in het oosten staat. Het azimut van de Zon is voor deze twee gevallen dus volstrekt anders. Het azimut van het object wordt normaal gesproken uitgedrukt in graden (°). Meestal (ook in deze website) wordt het noorden aangeduid met 0°, het oosten met 90°, het zuiden met 180° en het westen met 270°, net als het geval is met windrichtingen en een kompas. (In sommige gevallen wordt voor het zuiden 0° genomen, voor het westen 90°, enzovoorts.) Wanneer men bijvoorbeeld de planeet Uranus wil waarnemen is het niet genoeg te weten dat deze 'in het oosten' staat, maar kan het azimut gebruikt worden om de nauwkeurige positie weer te geven. Het azimut is dus de coördinaat die aangeeft waar het object boven (of onder) de horizon staat. Om de exacte positie van het object te weten is dan nog een tweede coödinaat nodig: de hoogte.

bedekking     Een bedekking vindt plaats wanneer een groter voorgrondobject voor een kleiner achtergrondobject langs beweegt, en het achtergrondobject volledig bedekt. Zo vinden er regelmatig sterbedekkingen door de Maan plaats, wanneer de Maan voor een ster langs beweegt, of bedekkingen van de manen van Jupiter, wanneer een maan achter de planeetschijf langs beweegt. Wanneer het voorgrondobject groter is, maar het achtergrondobject niet volledig bedekt spreken we van een gedeeltelijke bedekking. Wanneer het voorgrondobject kleiner is dan het achtergrondobject (en het dus ook niet volledig bedekt) is er sprake van een overgang.

benedenconjunctie     1. Een binnenplaneet is in benedenconjunctie wanneer de planeet tussen de Aarde en de Zon door beweegt. De planeet staat dan dus dichter bij de Aarde dan de Zon. Alleen tijdens een benedenconjunctie kan een overgang van de planeet over de zonneschijf worden waargenomen, al vindt niet bij iedere benedenconjunctie een overgang plaats, door de inclinatie van de planeetbaan. Gegevens van de benedenconjuncties van Mercurius en Venus zijn te vinden in de tabel planeetverschijnselen.
2. Een satelliet is in benedenconjunctie met de planeet waarom de satelliet draait, wanneer de satelliet tussen de planeet en de Aarde door beweegt. Ook voor een satelliet geldt dat overgangen over de planeetschijf plaatsvinden bij een benedenconjunctie, maar dat niet iedere benedenconjunctie ook een overgang betekent. Benedenconjuncties van de manen van Jupiter staan vermeld in de tabellen verschijnselen van de manen van Jupiter. Zie ook: bovenconjunctie, conjunctie.

bijschaduw     De bijschaduw of halfschaduw van een donker voorwerp dat wordt verlicht door een lichtbron, is de minder donkere schaduw die zich niet direct achter het donkere voorwerp bevindt, maar iets verder van de schaduw-as. De bijschaduw bevindt zich rond de kernschaduw, die zich direct achter het donkere voorwerp bevindt. Vanuit de bijschaduw gezien wordt de lichtbron slechts gedeeltelijk bedekt, en valt er dus minder licht van de lichtbron dan normaal. In de sterrenkunde wordt deze term onder andere gebruikt bij zonsverduisteringen, wanneer de schaduw van de Maan op de Aarde valt, en bij maansverduisteringen, wanneer de schaduw van de Aarde op de Maan valt. In deze gevallen wordt de bijschaduw ook penumbra genoemd. Wanneer men zich bij een zonsverduistering in de bijschaduw bevindt, ziet men een gedeeltelijke eclips, (er is een 'hap' uit de Zon) terwijl een waarnemer in de kernschaduw een totale verduistering (de Zon is volledig verduisterd) ziet. Bij een maansverduistering is de Maan slechts enigszins donkerder dan normaal wanneer de Maan in de penumbra staat, en vrijwel helemaal donker wanneer de Maan zich in de umbra van de Aarde bevindt.

binnenplaneet     Een binnenplaneet is een planeet die om de Zon draait in een baan die binnen de baan van de Aarde ligt. Een binnenplaneet staat dus dichter bij de Zon dan de Aarde. De binnenplaneten zijn Mercurius en Venus. Zie ook: buitenplaneet.

blauwe maan     Blauwe Maan is de naam voor de tweede Volle Maan in een bepaalde maand. In een gemiddeld jaar vindt circa 12,368 keer Volle Maan plaats, iets meer dan eens per maand dus. Het overschot (0,368) hoopt zich op totdat er een tweede Volle Maan in een maand voorkomt. Dit gebeurt gemiddeld eens in de ruim 1/0,368 = 2,715 jaar (2 jaar en 8,6 maanden). Het gebeurt natuurlijk precies vier maal zo vaak dat een willekeurige maanfase in een maand voorkomt, dat is dus gemiddeld eens in de 8,15 maanden. Overigens hangt het voorkomen van een Blauwe Maan af van de tijdzone waarin men zich bevindt. Wanneer een Volle Maan in Europa bijvoorbeeld in de avond van 31 januari plaatsvindt, is het in Australië al februari en is daar dezelfde Volle Maan dus geen Blauwe Maan. Zie ook de lijst met Blauwe Manen.

boogminuut     Een boogminuut (') is een maat om een (kleine) hoek aan te geven. Er gaan 60' in een graad (°) en 60 boogseconden in een 1'. Er gaan dus 21.600' in een cirkel, en 1' = 0,0167°.

boogseconde     Een boogseconde (") is een maat om een kleine hoek aan te geven. Er gaan 60" in een boogminuut, 3600" in een graad (°) en dus 1.296.000" in een cirkel. 1" is dus 1/3600°, ofwel 0.000278°. Voor hele kleine hoeken (bijvoorbeeld een parallax van een ster op grote afstand) wordt vaak de milliboogseconde (milliarcsecond, mas) gebruikt.

bovenconjunctie     1. Een binnenplaneet is in bovenconjunctie wanneer de planeet vanaf de Aarde gezien achter de Zon langs beweegt. De planeet staat dan dus verder van de Aarde dan de Zon. Gegevens van de benedenconjuncties van Mercurius en Venus zijn te vinden in de tabel planeetverschijnselen.
2. Een satelliet is in bovenconjunctie met de planeet waarom de satelliet draait, wanneer de satelliet vanaf de Aarde gezien achter de planeet langs beweegt. Bedekkingen van de satelliet door de planeetschijf vinden plaats bij een bovenconjunctie, maar niet iedere bovenconjunctie betekent een overgang. Bovenconjuncties van de manen van Jupiter staan vermeld in de tabellen verschijnselen van de manen van Jupiter. Zie ook: benedenconjunctie, conjunctie.

buitenplaneet     Een buitenplaneet is een planeet die om de Zon draait in een baan die buiten de baan van de Aarde ligt. Een buitenplaneet staat dus verder van de Zon dan de Aarde. De buitenplaneten zijn Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus. Zie ook: binnenplaneet.

burgerlijke schemering     Met de term burgerlijke schemering duidt een sterrenkundige dat deel van een etmaal aan, waarin de Zon minder dan 6° onder de horizon staat. Dit is dus de gehele periode van daglicht, plus (meestal) een deel van de avond en ochtend. Het deel van de nacht waarin de Zon meer dan 6° onder de horizon staat, noemen we burgerlijke nacht. Zie bij schemering voor meer informatie. Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de interactieve en niet-interactieve tabellen voor opkomst, ondergang en schemering, en in de schemerdiagrammen.

conjunctie     1. Samenstand tussen twee hemellichamen, bijvoorbeeld de Maan en een ster. Officiëel vindt de conjunctie plaats op het moment dat de twee hemellichamen dezelfde Rechte Klimming hebben, sommigen gebruiken de term voor gelijke ecliptische lengte. Beide definities duiden echter geen moment aan dat voor het oog bijzonder is; twee hemellichamen kunnen in theorie in conjunctie zijn en toch 180° uit elkaar staan. Om die reden staat in de astrokalender van deze website het moment van nauwste samenstand vermeld.
2. Samenstand tussen een planeet en de Zon. Bij een buitenplaneet spreken we van 'de' conjunctie, wanneer de planeet vanaf de Aarde gezien achter de Zon langs beweegt (en al dan niet door de Zon wordt bedekt), zodat deze enige tijd onzichtbaar is door het felle zonlicht. Het tegenovergestelde van conjunctie in dit verband is oppositie. Bij binnenplaneten onderscheiden we de bovenconjunctie en de benedenconjunctie. Gegevens van de conjuncties van de planeten zijn te vinden in de tabel planeetverschijnselen.

deep-sky object     Een deep-sky object is een zwak hemellichaam op grote afstand, zodat doorgaans een grote, lichtsterke telescoop nodig is om het object te kunnen waarnemen. Voorbeelden van deep-sky objecten zijn bijvoorbeeld gasnevels en sterrenstelsels. Behalve een lichtsterke telescoop is vaak ook een donkere waarneemplaats nodig, omdat men met name bij het waarnemen van deep-sky objecten veel last kan hebben van lichtvervuiling.

dierenriem     De dierenriem of zodiak is de verzameling van sterrenbeelden op de ecliptica, die hoofdzakelijk dieren voorstellen. Volgens astrologen bepaalt het sterrenbeeld waarin de Zon zich bevindt op het moment dat een persoon wordt geboren, de eigenschappen van die persoon. (Die persoon 'heeft' of 'is' dan dat sterrenbeeld). Hierbij wordt dan ten eerste geen rekening gehouden met het feit dat er niet 12, maar 13 tekens van de dierenriem zijn (iemand die wordt geboren tussen 30 november en 17 december is eigenlijk een Slangendrager!) en bovendien wordt geen rekening gehouden met de precessie, waardoor de dierenriem inmiddels één sterrenbeeld is opgeschoven, en de door astrologen gebruikte methode dus 2000 jaar achterloopt.

eclips     Met een eclips wordt een maansverduistering of (meestal) zonsverduistering bedoeld.

ecliptica     De ecliptica is het schijnbare pad van de Zon aan de hemel, waar de eclipsen plaatsvinden. Doordat de banen van de planeten en de Maan vrijwel in een vlak liggen, bevinden deze hemelobjecten zich meestal ook in de buurt van de ecliptica aan de hemel. De bekende sterrenbeelden van de dierenriem liggen aan de ecliptica.

eerste kwartier     Het Eerste Kwartier (E.K.) is de maanfase, waarbij de rechterhelft van de Maan verlicht is (in Nederland en België tenminste, op het zuidelijk halfrond is het de linkerhelft). Een ezelsbruggetje om het verschil tussen Eerste Kwartier en Laatste Kwartier te onthouden is dat van de halve Maan bij E.K. de letter p van premier (frans voor eerste) gemaakt kan worden, door een steeltje aan de Maan te denken. Zie maanfasen.

ellips     Een ellips is een afgeplatte cirkel, met twee brandpunten. De planeten draaien in elliptische banen om de Zon, waarbij de Zon in een van de brandpunten staat. Ook de Maan draait in een elliptische baan om de Aarde. Het gevolg hiervan is dat de Maan soms dichter bij de Aarde staat en soms verder weg, waardoor de apsiden ontstaan. De mate waarin een ellips afgeplat is heet excentriciteit. Een cirkel heeft een excentriciteit gelijk aan nul, zodat beide brandpunten samenvallen, een ellips tussen nul en één. Hoe hoger de excentriciteit van een ellips, des te verder liggen ook de apsiden uit elkaar.

elongatie     De elongatie van een planeet is de hoekafstand tussen die planeet en de Zon. Een elongatie van 0° betekent dat de planeet in conjunctie is, een planeet met een elongatie van 180° is in oppositie. Mercurius en Venus bereiken hun grootste elongatie op veel kleinere afstand tot de Zon. De elongatie van alle planeten voor ieder moment is weergegeven in kolom 4 van de tabel planeetgegevens.

equinox     De equinox of nachtevening is het moment waarop de Zon recht boven de equator of evenaar staat, waardoor de dag en de nacht precies even lang duren (Lat.: equi: gelijk, nox: nacht). Het begin van de lente is gedefinieerd als de lente-equinox, rond 21 maart, het begin van de herfst als de herfstequinox, rond 23 september. De equinoxen bepalen mede de seizoenen. De equinoxen voor de Aarde zijn weergegeven in de tabel Seizoenen 2000-2050.

excentriciteit     De excentriciteit van een ellips, zoals bijvoorbeeld een planeetbaan, is de grootheid die aangeeft in hoeverre de ellips afwijkt van een cirkel. Een cirkel heeft een excentriciteit gelijk aan nul. Hoe langgerekter (meer afgeplat) een ellips is, des te dichter ligt de excentriciteit bij één. De excentriciteiten van de planeetbanen zijn te vinden in de kolom met het kopje "e" in de tabel Gegevens van de planeetbanen. Daarin is te zien dat de baan van Mercurius erg afgeplat is, terwijl die van Venus bijna cirkelvormig is. Om aan te geven of een planeet bolvorming is of niet, spreken we van de afplatting van die planeet. Een parabool heeft een excentriciteit gelijk aan één, bij een hyperbool is dit groter dan één. Parabolische en hyperbolische banen zijn geen gesloten krommen, zodat de baanbeweging niet periodiek is (bijvoorbeeld bij een niet-periodieke komeet), in tegenstelling tot een ellips- of cirkelbaan.

exoplaneet     Een exoplaneet is een planeet die niet tot ons zonnestelsel behoort, maar in een baan om een andere ster draait. Door de grote afstand, het feit dat planeten zelf geen licht produceren en het verblindende licht van de nabije centrale ster, zijn exoplaneten (vooralsnog) alleen indirect waarneembaar. Op dit moment zijn meer dan honderd exoplaneten, en een aantal kleine planetenstelsels bekend.

fase     De fase of schijngestalte van een hemellichaam is de fractie van dat hemellichaam dat verlicht is. Het meest bekend zijn de maanfasen, maar ook de planeten vertonen tot op een bepaalde hoogte fasen. Doordat de binnenplaneten zich, vanaf de Aarde gezien, zowel voor als achter de Zon kunnen bevinden, vertonen zij alle fasen (van helemaal onverlicht (0%) tot volledig verlicht (100%)), net als de Maan. Een binnenplaneet is volledig verlicht wanneer deze zich in bovenconjunctie bevindt (vergelijk met Volle Maan) en volledig onverlicht wanneer deze zich in benedenconjunctie bevindt (zoals bij Nieuwe Maan). De buitenplaneten vertonen niet alle fasen, zij zijn altijd voor vrijwel 100% verlicht. Dit is meer het geval naarmate de planeet zich verder van de Zon bevindt (meer voor Neptunus dan Mars). De fase van Maan en planeten op ieder moment is te vinden in de interactieve tabel Posities en andere gegevens voor Zon, Maan en planeten.

gasnevel     Een gasnevel of kortweg nevel is een hemellichaam dat meestal zichtbaar is als een wazig vlekje aan de sterrenhemel. Vrijwel altijd is een grote verrekijker of kleine telescoop nodig om zo'n nevel te zien, met name in de Benelux, met al zijn lichtvervuiling. We onderscheiden nevels die zichtbaar zijn doordat ze licht uitstralen (emissienevel en reflectienevel), of doordat ze het licht van achterliggende sterren of nevels blokkeren (absorptienevel). Een emissienevel wordt door een of meerdere sterren in de buurt verhit, waardoor de nevel licht gaat uitstralen, een reflectienevel reflecteert voornamelijk sterlicht, en een absorptienevel steekt donker af tegen een helderder achtergrond. De bekendste nevel is de Orionnevel, een grote emissienevel in het sterrenbeeld Orion, die al met het blote oog als zwak 'sterretje' zichtbaar is.

gasplaneet     Een gasplaneet is een planeet die voor het grootste gedeelte, of helemaal, uit gas bestaat. De gasplaneten in ons zonnestelsel zijn Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus. De gasplaneten worden vanwege hun omvang en massa ook wel de reuzenplaneten genoemd. Ze zijn verschillende male zwaarder en groter dan de aardse planeten en bevinden zich verder van de Zon.

graad     Een graad (°) is een maat om een hoek aan te geven. Er gaan 360° (360 graden) in een cirkel, en 90° in een rechte hoek. Eén graad bevat 60 boogminuten (') en 3600 boogseconden ("), d.w.z. 1° = 60' = 3600". Hoeken worden soms in decimale graden, graden en minuten of graden, minuten en seconden weergegeven, bijvoorbeeld 1,234° = 1°14,04' = 1°14'2,4".

grootste elongatie     De grootste elongatie van een binnenplaneet is het punt waar de planeet het verst van de Zon staat, en dus de maximale elongatie heeft. Voor Mercurius is de grootste elongatie nooit meer dan 28°, voor Venus is dit maximaal 48°. Afhankelijk van de positie van de planeet ten opzichte van de Zon spreekt men van grootste westelijke elongatie of grootste oostelijke elongatie. In het eerste geval is de planeet voor zonsopkomst te zien aan de ochtendhemel, in het tweede geval na zonsondergang aan de avondhemel. Zie ook: uitleg bij grootste elongaties, tabellen met grootste elongaties voor Mercurius en Venus.

halfschaduw     Een halfschaduw wordt in de sterrenkunde vaak bijschaduw of penumbra genoemd.

hemellichaam     Met een hemellichaam bedoelen we heel algemeen een object dat zich aan de (sterren)hemel bevindt. Vaak gaat het dan om de Zon, de Maan, planeten of sterren. Dit zijn de best zichtbare hemellichamen. Je kunt echter ook denken aan manen van andere planeten, planetoïden, kometen, sterrenstelsels, gasnevels, etcetera.

hoogte     De hoogte (h.), voluit hoogte boven de horizon, van een hemellichaam geeft aan hoe hoog het object aan de hemel staat. De hoogte van een object hangt dus af van de plaats op Aarde, iedere plaats op Aarde heeft immers een (net) iets andere sterrenhemel. Zo kan het zijn dat in Europa de Zon hoog boven de horizon staat (op grote hoogte), terwijl deze in bijvoorbeeld India al ondergaat en dus laag boven de horizon staat (op geringe hoogte). De hoogte van het object wordt normaalgesproken uitgedrukt in graden (°). Een positive hoogte betekent dat het object zich boven de horizon bevindt, een negatieve hoogte betekent dat het object zich onder de horizon bevindt. Een object dat opkomt of ondergaat heeft dus hoogte van 0°. Het punt recht boven het hoofd (het zenit) heeft h=90°, het punt recht onder de voeten (het nadir) heeft h=-90°. De grootste hoogte van de Zon boven de horizon in Utrecht is in de zomer ruim 60°, midwinter nog geen 15°. De poolster staat er op een hoogte van circa 38°. Om de exacte positie van een object aan te geven is een tweede coördinaat nodig, die aangeeft waar het object boven (of onder) de horizon staat: het azimut.

inclinatie     1. De hoek die de rotatieas van een planeet of maan maakt ten opzichte van het vlak waarin de omloopbaan ligt.
2. De hoek die het vlak van een planeetbaan (het 'baanvlak') maakt met het vlak van het zonnestelsel. Doordat de planeten niet precies (maar wel ongeveer) in één vlak om de Zon draaien vindt bijvoorbeeld niet bij iedere benedenconjunctie een overgang plaats.
3. De hoek die het baanvlak van een satelliet maakt met het equatorvlak van de planeet. Doordat de baan van de Maan om de Aarde een inclinatie heeft, vindt niet iedere Nieuwe Maan een zonsverduistering plaats.

jaargetijde     Zie seizoen.

kernschaduw     De kernschaduw of slagschaduw van een donker voorwerp dat wordt verlicht door een lichtbron, is de donkere schaduw direct achter het donkere voorwerp dat de schaduw produceert. Verder van de schaduw-as, rond de kernschaduw, bevindt zich meestal de bijschaduw. Vanuit de kernschaduw gezien wordt de lichtbron volledig bedekt, en valt er dus geen (direct) licht van de lichtbron. In de sterrenkunde wordt deze term onder andere gebruikt bij zonsverduisteringen, wanneer de schaduw van de Maan op de Aarde valt, en bij maansverduisteringen, wanneer de schaduw van de Aarde op de Maan valt. In deze gevallen wordt de kernschaduw ook umbra genoemd. Wanneer men zich bij een zonsverduistering in de kernschaduw bevindt, ziet men een totale eclips, (de Zon is volledig verduisterd) terwijl een waarnemer in de bijschaduw een gedeeltelijke verduistering (er is slechts een 'hap' uit de Zon) ziet. Bij een maansverduistering is de Maan vrijwel helemaal donker wanneer de Maan zich in de umbra van de Aarde bevindt, doordat geen direct zonlicht de Maan kan bereiken (maar, zie ook: De rode kleur van de verduisterde Maan), en slechts enigszins donkerder dan normaal wanneer de Maan in de penumbra staat.

komeet     Een komeet is weinig meer dan een 'grote, vuile sneeuwbal' die in een elliptische baan om de Zon beweegt. In feite is dit de komeetkern, met een typische diameter van ongeveer 1 km. Wanneer zo'n komeetkern dichter bij de Zon komt, gaat het ijs verdampen door de warmte. Hierdoor ontstaat een min of meer bolvormige wolk van gas, stof en gruis die de halo van de komeet wordt genoemd. Onder invloed van de druk die het felle zonlicht op de halo uitoefent, wordt de halo 'weggeblazen', zodat een staart ontstaat, die dus altijd van de Zon af wijst. Om deze reden worden kometen ook wel staartsterren genoemd. Doordat een komeetbaan vaak zeer elliptisch is, staat een komeet meestal te ver van de Zon om een halo of staart te ontwikkelen, terwijl de komeet slechts korte tijd (rond het perihelium) zichtbaar is. Sommige kometen zijn periodiek, en komen na enkele tientallen, honderden of duizenden jaren weer in de buurt van de Zon, andere hebben een hyperbolische baan en komen slechts eenmaal langs de Zon. De bekendste komeet is de komeet van Halley, met een periode van ongeveer 76 jaar. Het gruis dat losgemaakt wordt van een komeet produceert meteoroïden en meteoorzwermen.

kpc     De afkorting kpc staat voor kiloparsec, ofwel 1000 parsec.

kwartier     Het eerste kwartier en laatste kwartier zijn maanfasen, waarbij de Maan halfvol is. Zie maanfasen.

laatste kwartier     Het Laatste Kwartier (L.K.) is de maanfase, waarbij de linker helft van de Maan verlicht is (in Nederland en België tenminste, op het zuidelijk halfrond is het de rechterhelft). Een ezelsbruggetje om het verschil tussen Laatste Kwartier en Eerste Kwartier te onthouden is dat van de halve Maan bij L.K. de letter d van dernier (Frans voor laatste) gemaakt kan worden, door een steeltje aan de Maan te denken. Zie maanfasen.

lichtjaar     Een lichtjaar (lj) is de afstand die het licht in een jaar tijd aflegt. Een lichtjaar is dus een afstandsmaat (geen tijdspanne) en bedraagt ongeveer 9,46 biljoen km (9.460.000.000.000 km). Het lichtjaar wordt gebruikt om afstanden naar sterren en sterrenstelsels aan te geven. In plaats van het lichtjaar wordt vaak de parsec gebruikt, voor afstanden binnen het zonnestelsel gebruikt men de astronomische eenheid. Er gaan ongeveer 63.240 astronomische eenheden in een lichtjaar en circa 3,26 lj in een parsec.

lichtvervuiling     Met lichtvervuiling wordt de grote hoeveelheid, vaak overbodig, kunstlicht bedoeld die wordt uitgestraald door bijvoorbeeld straatlantaarns, broeikassen, gevelverlichting, huishoudens, et cetera. Wetenschappers vrezen dat de lichtvervuiling het dag- en nachtritme van flora en fauna danig kan storen. Ook voor sterrenkundigen is de lichtvervuiling net zo schadelijk als het woord doet vermoeden. Het licht wordt in de atmosfeer verstrooid, wordt hierdoor gedeeltelijk weer richting het aardoppervlak gestuurd en komt dus in het oog, de verrekijker of de telescoop terecht van de (amateur)astronoom. Het gevolg hiervan is dat overal uit het heelal licht lijkt te komen, en dit zorgt voor een zwak lichtende waas als hemelachtergrond. Doordat de hemelachtergrond enigszins licht geeft, zijn deep-sky objecten minder goed tot helemaal niet meer zichtbaar. Indien er geen licht op Aarde zou worden geproduceerd, zou die hemelachtergrond (vrijwel) volledig zwart zijn, al kan in zo'n geval de Volle Maan ook een storende bron van strooilicht zijn. In West-Europa is de situatie wat betreft lichtvervuiling tamelijk zorgwekkend, en inderdaad zijn er veel minder sterren te zien dan in bijvoorbeeld Zuid-Europa of Afrika. Zie ook Waar in Nederland kun je het beste sterrenkijken?

maan     Een maan of satelliet is een hemellichaam dat zich in een baan om een planeet bevindt. De Aarde heeft één natuurlijke satelliet: De Maan en vele kunstmanen of kunstsatellieten. Mercurius en Venus hebben geen manen, de buitenplaneten hebben vaak enkele tientallen manen, hoewel beide manen van Mars ingevangen planetoïden zijn.

maanfasen     Met de maanfasen of schijngestalten van de Maan wordt het steeds veranderende aangezicht van de Maan bedoeld. In feite is de fase van de Maan op ieder moment de fractie van het zichtbare maanoppervlak dat verlicht is. Er zijn echter vier benoemde maanfasen, die iedere ongeveer 29,53 dagen een keer voorkomen, in deze volgorde: Nieuwe Maan, Eerste Kwartier, Volle Maan en Laatste Kwartier. Hierna komt de Nieuwe Maan weer terug. De fasen ontstaan doordat de Maan om de Aarde beweegt (en de Aarde om de Zon). Bij Nieuwe Maan staat de Maan tussen de Aarde en de Zon, waardoor de onverlichte zijde van de Maan naar de Aarde is gekeerd en we op Aarde dus alleen de donkere kant van de Maan kunnen zien. Bij Eerste Kwartier en Laatste Kwartier zijn de rechter-, respectievelijk linker helft van de Maan verlicht (vanaf het noordelijk halfrond, op het zuidelijk halfrond is dit precies omgekeerd). Bij Volle Maan is de Maan als het ware in oppositie en is de gehele naar de Aarde toegekeerde zijde van de Maan verlicht. Zonsverduisteringen vinden dus alleen plaats bij Nieuwe Maan, maansverduisteringen alleen bij Volle Maan. Gegevens van de maanfasen zijn te vinden in de tabel verschijnselen van de Maan. Zie ook: Hoe ontstaan de fasen van de maan? De fase van de Maan (en planeten) op ieder moment is te vinden in de interactieve tabel Posities en andere gegevens voor Zon, Maan en planeten.

maansverduistering     Bij een maansverduistering of maaneclips beweegt de Maan achter de Aarde langs, gezien vanaf de Zon. De Aarde staat dan dus tussen de Zon en de Maan in, zodat de schaduw van de Aarde op de Maan valt en de Maan wordt verduisterd. We spreken van gedeeltelijke en totale maansverduisteringen, afhankelijk van het gedeelte van de Maan dat wordt verduisterd. Bovendien kennen we maansverduisteringen in de donkere kernschaduw (umbra) van de Aarde, wanneer de Maan precies achter de Aarde staat en dus helemaal geen (direct) licht van de Zon ontvangt, en maansverduisteringen in de bijschaduw (penumbra) van de Aarde, wanneer nog een deel van het directe zonlicht de Maan bereikt (maar minder dan normaal). Een maansverduistering vindt altijd plaats bij Volle Maan, maar, door de inclinatie van de maanbaan, niet bij iedere Volle Maan. Voor beknopte gegevens van maansverduisteringen, zie de tabel Maansverduisteringen 2000-2049. Voor details van (voor Nederland en België) geselecteerde verduisteringen, zie de tabel Maansverduisteringen 2005-2009. Zie ook Hoe ontstaat een maansverduistering? in de veelgestelde vragen.

magnitude     De magnitude (m) of grootte van een hemellichaam is een maat voor zijn helderheid. Deze eenheid werd al in de oudheid geïntroduceerd, door de sterren in zes klassen in te delen. De helderste sterren kwamen in klasse 1, de zwakste, nog net met het blote oog waarneembare sterren werden in klasse 6 ingedeeld. De helderste sterren hebben dus de laagste magnitude. Later, toen het mogelijk werd de helderheid direct te meten, bleek dat deze indeling ongeveer overeenkwam met een logaritmische schaal. Tegenwoordig gebruikt men deze schaal nog steeds. De Zon heeft een helderheid van -26,8m, de volgende helderste ster aan de hemel, Sirius, heeft magnitude -1,4.

melkweg     1. De Melkweg is de naam van de zwakke, nevelachtige band die op een heldere, donkere nacht aan de sterrenhemel kan worden gezien. Het blijkt te gaan om de projectie van ons Melkwegstelsel, waarin wij ons bevinden. Wanneer men een telescoop met voldoende vergroting op de Melkweg richt, zien men dat deze oplost in miljarden sterren en gasnevels.
2. Ons Melkwegstelsel wordt soms kortweg de Melkweg genoemd.

melkwegstelsel     1. Het Melkwegstelsel is de naam van het sterrenstelsel waarin zich ons zonnestelsel, en dus de Aarde, bevindt. Het Melkwegstelsel is een vrij groot spiraalstelsel met naar schatting circa 200 miljard sterren, waar de Zon er één van is. Van boven gezien heeft het Melkwegstelsel dus een spiraalstructuur, van de zijkant is het vrij plat, met een verdikking in het centrum. De projectie van het Melkwegstelsel aan onze hemel is te zien als een vage, nevelachtige band die de Melkweg wordt genoemd.
2. Het woord melkwegstelsel wordt ook vaak gebruikt als synoniem voor sterrenstelsel, maar feitelijk is dit onjuist (op dezelfde manier als 'sterren' geen 'zonnen' zijn).

MET     De afkorting MET staat voor Midden-Europese Tijd, bij ons wintertijd genoemd. Dit is de tijd die geldt in de tijdzone waarin onder andere Nederland en België zich bevinden. De MET geldt ruwweg van november tot en met maart. In de rest van het jaar geldt de MEZT. De MET loopt 1 uur voor op de UT.

meteoriet     Een meteoriet is een stuk steen of rotsblok dat inslaat, of is ingeslagen, op een groter hemellichaam, bijvoorbeeld een planeet. Een inslaande meteoriet veroorzaakt over het algemeen een krater. Voordat de meteoriet insloeg heette het rotsblok een meteoroïde. Als een meteoroïde door de aardatmosfeer beweegt, vlak voor een inslag, veroorzaakt deze een lichtend spoor dat we een meteoor noemen.

meteoor     Een meteoor is een lichtflitsje dat snel langs de nachthemel beweegt en in de volksmond wel een vallende ster wordt genoemd. Het gaat hier echter om een klein rotsblokje dat door het zonnestelsel bewoog en meteoroïde wordt genoemd. Wanneer zo'n meteoroïde in de aardatmosfeer terecht komt, brengt het door de grote wrijving de atmosfeer om zich heen aan het lichten, wat we dus kunnen zien als een meteoor. Wanneer een meteoor inslaat (op Aarde of op een ander hemellichaam) spreken we van een meteoriet. Kleine meteoren verdampen voordat ze het aardoppervlak bereiken, op een hoogte van ruwweg tussen de 80 en 120km. Een heldere meteoor wordt ook wel een vuurbol genoemd. Veel meteoren komen voor in meteoorzwermen.


meteoorzwerm     Een meteoorzwerm of meteorenzwerm is een verzameling van meteoren die rond dezelfde tijd en in hetzelfde gebied aan de hemel zichtbaar zijn. Het punt aan de hemel waaruit de meteoren lijken te komen wordt de radiant genoemd. Veel van deze meteoorzwermen zijn ieder jaar rond dezelfde tijd zichtbaar (Zie de lijst met jaarlijkse meteoorzwermen). De meteoroïden die de meteoren in een zwerm veroorzaken, bevinden zich in dezelfde wolk. De Aarde beweegt zich jaarlijks rond dezelfde datum door deze wolk, zodat de meteorenzwerm ieder jaar rond dezelfde tijd terugkomt. Zo'n wolk is vaak een onderdeel van het spoor van stof en gruis, achtergelaten door een komeet.

meteoroïde     Een meteoroïde is een stuk steen, met een grootte die ligt tussen de grootte van een zandkorrel en die van een flink rotsblok, dat zich door het zonnestelsel beweegt. Wanneer een meteoroïde in de aardatmosfeer terechtkomt, veroorzaakt deze een lichtend spoor dat we een meteoor noemen. Een meteoroïde die inslaat, bijvoorbeeld op een planeet, noemen we een meteoriet.

MEZT     De afkorting MEZT staat voor Midden-Europese ZomerTijd. Dit is de tijd die geldt in de tijdzone waarin onder andere Nederland en België zich bevinden. De MEZT geldt ruwweg van april tot en met oktober. In de rest van het jaar geldt de MET. De MEZT loopt 2 uur voor op de UT.

Mpc     De afkorting Mpc staat voor megaparsec, ofwel 1.000.000 parsec.

nachtevening     Zie equinox.

nadir     Het nadir is de naam voor het punt aan de hemel dat zich recht onder je voeten bevindt. Het nadir heeft dus een hoogte boven de horizon van min negentig graden (-90°). Het punt recht tegenover het nadir wordt het zenit genoemd.

nautische schemering     Met de term nautische schemering duidt een sterrenkundige dat deel van een etmaal aan, waarin de Zon minder dan 12° onder de horizon staat. Dit is dus de gehele periode van daglicht, plus (meestal) een deel van de avond en ochtend. Het deel van de nacht waarin de Zon meer dan 12° onder de horizon staat, en waarin het dus behoorlijk donker wordt, noemen we nautische nacht. Zie bij schemering voor meer informatie. Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de interactieve en niet-interactieve tabellen voor opkomst, ondergang en schemering, en in de schemerdiagrammen.

nieuwe maan     Nieuwe Maan is de maanfase waarbij de Maan helemaal onverlicht is. Doordat de Zon slechts één helft van de Maan verlicht, en de Maan om de Aarde draait, zien we soms alleen de donkere kant van de Maan. Dit noemen we Nieuwe Maan. Zonsverduisteringen kunnen alleen bij Nieuwe Maan voorkomen. Zie ook maanfasen.

oppositie     Een planeet of planetoïde is in oppositie wanneer deze tegenover de Zon aan de hemel staat. De Zon, de Aarde en het object staan dan dus op een lijn. Het gevolg hiervan is dat het object opkomt rond het moment dat de Zon ondergaat en omgekeerd, waardoor het object dus vrijwel de gehele nacht zichtbaar is. Daarnaast staat het object tijdens de oppositie relatief dicht bij de Aarde, waardoor het een grotere schijnbare diameter en helderheid heeft dan gemiddeld. Een oppositie van een planeet is dus een uitgelezen moment om die planeet waar te nemen. Binnenplaneten vertonen geen opposities, buitenplaneten laten vaak een oppositielus zien. Het tegenovergestelde van een oppositie is een conjunctie. Gegevens van de opposities van de buitenplaneten zijn te vinden in de tabel planeetverschijnselen.

oppositielus     Een buitenplaneet maakt in de periode rond zijn oppositie vaak een oppositielus. Deze ontstaat doordat de Aarde de planeet inhaalt, doordat de Aarde ten eerste een grotere baansnelheid heeft en ten tweede een kleinere baan. Hierdoor lijkt de buitenplaneet achteruit te bewegen, wat ook wel retrograde beweging wordt genoemd. Bij het begin en einde van de oppositielus staat de planeet dus even stil in voorwaartse beweging. We zeggen dan dat de planeet stationair is.

overgang     Een overgang vindt plaats wanneer een kleiner voorgrondobject voor een groter achtergrondobject langs beweegt, en het achtergrondobject dus gedeeltelijk bedekt. Zo vinden er af en toe overgangen van Mercurius over de Zon plaats, waarbij de kleine planeet als een zwarte stip op de heldere zonneschijf zichtbaar is. Een ander voorbeeld van overgangen zijn de overgangen van de manen van Jupiter, wanneer een maan of zijn schaduw vanaf de Aarde gezien over de planeetschijf beweegt. Wanneer het voorgrondobject groter is dan het achtergrondobject, spreken we van een bedekking.

parallax     De jaarlijkse parallax van een ster is de schijnbare beweging die de ster aan de hemel maakt ten gevolge van de baanbeweging van de Aarde. Door de beweging van de Aarde lijken nabije sterren een beetje te bewegen ten opzichte van ververwijderde sterren, net zoals vanuit een rijdende trein nabije bomen snel voorbijschieten ten opzichte van bijvoorbeeld een berg op grote afstand. De parallax wordt meestal gemeten in boogseconden (″), een ster met een parallax van 1″ heeft een afstand van 1 parsec. Een ster die tweemaal zover weg staat heeft een tweemaal zo kleine jaarlijkse parallax, en dus heeft een ster op een afstand van 10pc een parallax van 0,1″.

parsec     Een parsec (pc) is een afstandsmaat die wordt gebruikt om afstanden naar sterren en sterrenstelsels aan te geven. In plaats van de parsec wordt vaak het lichtjaar gebruikt, voor afstanden binnen het zonnestelsel gebruikt men de astronomische eenheid. Er gaan ongeveer 206.265 astronomische eenheden in een en circa 3,26 lichtjaar in een parsec. De naam parsec komt van de samentrekking van parallax en boogseconde ("); De parsec is namelijk zo gedefinieerd dat een ster met een parallax van 1" op een afstand van 1pc staat. Voor grotere afstanden worden vaak de kiloparsec (1 kpc = 1000 pc) en megaparsec (1 Mpc = 1.000.000 pc) gebruikt.

pc     De afkorting pc staat voor parsec.

penumbra     De term penumbra is latijn voor halfschaduw en wordt gebruikt voor: De term penumbra staat in tegenstelling tot umbra.

perigeum     Het punt van de elliptische baan van de Maan of een satelliet, dat het dichtst bij de Aarde ligt en dus een apside. Wanneer de Maan in het perigeum staat, staat deze dichter bij en heeft een grotere schijnbare diameter. (Gr.: peri: (dicht)bij, Gaia: Aarde). De periode tussen twee perigea heet de anomalistische maand. Gegevens van het apogeum van de Maan zijn te vinden in de tabel verschijnselen van de Maan. Zie ook: apogeum.

perihelium     Het punt van de elliptische baan van een planeet, planetoïde of komeet, dat het dichtst bij de Zon ligt. De Aarde staat rond 4 januari in het perihelium, zodat de Zon dan groter lijkt dan gemiddeld. (Gr.: peri: dichtbij, Helios: Zon). Gegevens van het perihelium voor iedere planeet zijn te vinden in de tabel planeetverschijnselen. Zie ook: aphelium.

planeet     Een planeet is een groot en rond hemellichaam dat om een ster draait. De planeten die wij goed kennen zijn: Mercurius, Venus, de Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus. Zij draaien om de centrale ster van ons zonnestelsel: de Zon. Pluto is sinds augustus 2006 officieel geen planeet meer, omdat deze te klein is voor die titel. Gegevens van de planeten van ons zonnestelsel zijn te vinden in de tabel Gegevens van de planeten.

planeetbaan     Een planeetbaan is het pad van een planeet om de Zon (in het geval van ons zonnestelsel; om de centrale ster in het planetenstelsel in het geval van een exoplaneet. Planeetbanen zijn ellipsen, over het algemeen met een voldoende grote excentriciteit om niet te kunnen spreken van een cirkelvormige baan. Gegevens van de planeetbanen in ons zonnestelsel zijn te vinden in de tabel Gegevens van de planeetbanen.

planetenstelsel     Het woord planetenstelsel lijkt me een mooie naam voor het gebied rond een ster waar zich de planeten en eventueel kleinere objecten bevinden, al suggereert de naam lichtelijk dat er zich slechts planeten bevinden. Aan de andere kant is dit niet zo'n probleem omdat we kleinere objecten bij andere sterren in de meeste gevallen toch niet kunnen waarnemen. Het planetenstelsel om de Zon heet zonnestelsel, en daarmee bedoelen we inderdaad Zon, planeten en kleinere objecten.

planetoïde     Een planetoïde (letterlijk: kleine planeet) of asteroïde (letterlijk: kleine ster, dus eigenlijk onjuist) is een klein (minder dan ongeveer 1000km in doorsnede), rotsvormig planeetje dat om de Zon draait. Planetoïden hebben meestal een onregelmatige vorm. De twee manen van Mars zijn ingevangen planetoïden. Net als een planeet kan een planetoïde een maan hebben, zoals bijvoorbeeld de planetoïde Ida. Een zeer kleine planetoïde, ter grootte van een groot rotsblok of minder, wordt een meteoroïde genoemd.

precessie     De Aarde draait om haar as, maar de richting waarnaar de aardas wijst is niet constant. De richting van de aardas zelf maakt in 23.000 jaar een cirkelbeweging van ongeveer 23,5° rond de pool van de ecliptica. Deze langzame beweging wordt deprecessie der equinoxen, of kortweg precessie genoemd. Aangezien het systeem van hemelcoördinaten is vastgelegd met de evenaar in hetzelfde vlak als de evenaar van de Aarde, verschuiven de coordinaten als gevolg van de precessie, waardoor de coördinaten van hemelobjecten met een vaste positie, zoals bijvoorbeeld de verre quasars, toch veranderen. Een ander gevolg is dat de sterrenbeelden van de dierenriem iedere 2000 jaar ongeveer één sterrenbeeld opschuiven.

radiant     Het punt aan de hemel waaruit de meteoren uit een meteoorzwerm lijken te komen wordt de radiant genoemd. In werkelijkheid stralen de meteoren niet uit de radiant in alle richtingen, maar bewegen ze min of meer parallel aan elkaar. Het schijnbare uitstralen wordt veroorzaakt door het perspectief, net als treinrails die vanuit een punt aan de horizon lijken te komen. Een meteoorzwerm krijgt meestal de naam van het sterrenbeeld waarin de radiant ligt.

retrograad     1. Een buitenplaneet beweegt retrograad ('terug') tijdens zijn oppositielus, doordat de Aarde de planeet in haar baan om de Zon inhaalt. Op het moment dat de beweging van de planeet stopt en omkeert, is de planeet stationair.
2. Manen van planeten bewegen retrograad om hun planeet, wanneer zij in de richting draaien die tegengesteld is aan de planeetrotatie.

reuzenplaneet     Zie gasplaneet.

rotsplaneet     Zie aardse planeet.

satelliet     Een satelliet is een hemellichaam dat om een planeet heen draait. Een synoniem voor satelliet is maan, hoewel dat woord komt van de Maan, de naam van de enige natuurlijke satelliet van de Aarde. We spreken van natuurlijke satellieten en kunstmanen, net zoals we van natuurlijke manen en kunstmanen spreken. Zie verder maan.

schemering     Het woord schemering heeft in de sterrenkunde een andere betekenis dan die in het dagelijks leven wordt gebruikt. In de gangbare betekenis van het woord betekent schemering de periode kort (ongeveer een uur) na zonsondergang en kort voor zonsopkomst. In dat geval is de schemering een korte periode die tweemaal per dag plaatsvindt. Voor een sterrenkundige begint de schemering echter 's ochtends voor zonsopkomst, en eindigt pas 's avonds na zonsondergang. Dit is dus één lange periode, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat, die dus ook de gehele periode van daglicht omvat. De schemering vindt voor een sterrenkundige dus slechts eenmaal per dag plaats, en is de periode waarin het te licht is om de nachthemel waar te nemen. Sterrenkundigen onderscheiden drie soorten schemering. Van minder naar meer duisternis zijn dat de burgerlijke schemering, de nautische schemering en de astronomische schemering. Deze vinden plaats wanneer de Zon respectievelijk minder dan 6°, minder dan 12° en minder dan 18° onder de horizon staat. De astronomische schemering omvat dus ook de nautische en burgerlijke schemering. Het deel van het etmaal waarin het niet schemert noemen we de burgerlijke nacht, nautische nacht, respectievelijk astronomische nacht. In de zomer wordt het in de Benelux niet volledig donker. De Zon staat dan midden in de nacht minder dan 18° onder de horizon en dus vindt gedurende de gehele nacht de astronomische schemering plaats. Met andere woorden: er vindt dan dus geen astronomische nacht plaats. Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de interactieve en niet-interactieve tabellen voor opkomst, ondergang en schemering, en in de schemerdiagrammen.

schijngestalte     Zie fase.

seizoen     Een seizoen of jaargetijde is een periode van ongeveer 3 maanden. De seizoenen zijn het best merkbaar op hogere en lagere breedten, verder van de evenaar. Een seizoen kenmerkt zich door een hogere of lagere stand van de Zon aan de hemel, en de daarbij behorende hogere of lagere temperatuur en langere of kortere perioden van daglicht. De vier seizoenen zijn winter, lente, zomer en herfst. Het begin van de seizoenen wordt bepaald door de equinoxen en solstitia. Het begin, het einde en de duur van de seizoenen is weergegeven in de tabel Seizoenen 2000-2050.

slagschaduw     Een slagschaduw wordt in de sterrenkunde vaak kernschaduw of umbra genoemd.

solstitium     Het solstitium of zonnewende is het moment dat de Zon boven de grootste of kleinste breedte op Aarde staat. Het begin van de zomer, rond 21 juni, is gedefinieerd als het zomersolstitium, het begin van de winter, rond 21 december, als het wintersolstitium. In Nederland en België staat de Zon tijdens het zomersolstitium in het hoogste punt (midzomer), tijdens het wintersolstitium in het laagste punt (midwinter). Voor het zomersolstitium klimt de Zon in hoogte, tijdens het solstitium (Lat: Sol: Zon, sistere: stilstaan) staat de Zon stil, en keer haar bewegingsrichting om. De solstitia bepalen mede de seizoenen. De solstitia voor de Aarde zijn weergegeven in de tabel Seizoenen 2000-2050.

spiraalarm     Een spiraalarm is de lichte, spiraalvormige band in spiraalvormig sterrenstelsel (spiraalstelsel). Ook ons Melkwegstelsel heeft spiraalarmen.

spiraalstelsel     Spiraalstelsel is de korte aanduiding voor een spiraalvormig sterrenstelsel, een sterrenstelsel dat meer of minder duidelijke spiraalstructuur vertoont. Deze structuur bevat afwisselend donkere en lichte banen, de lichte spiraalvormige banen worden spiraalarmen genoemd. Ons Melkwegstelsel is een spiraalstelsel.

stationair     Een planeet is stationair wanneer de voorwaartse beweging van de planeet ten opzichte van de sterren stopt, om vervolgens om te keren. De planeet beweegt dan retrograad. Dit gebeurt bijvoorbeeld aan het begin en einde van een oppositielus. Gegevens van de de momenten waarop de planeten stationair zijn, zijn te vinden in de tabel planeetverschijnselen.

ster     Een ster is over het algemeen een gloeiend, gasvormig hemellichaam, dat in zijn eigen energieproductie voorziet. Helemaal correct is dit niet, omdat de overgang van lichte sterren naar zware gasplaneten geleidelijk is en dus niet scherp. Over het algemeen wordt een gasbol die zwaar genoeg is om waterstoffusie in zijn kern te hebben als sterren beschouwd (zwaarder dan ongeveer 0,08 keer de massa van de Zon). Lichtere sterren die een klein beetje energie produceren (door deuteriumfusie, maar geen waterstoffusie) worden Bruine Dwergen genoemd. Het bekendste voorbeeld van een ster is natuurlijk de Zon, de helderste ster aan de hemel na de Zon is Sirius. Grote hemellichamen die om een ster draaien en zelf geen ster zijn noemen we planeten. Planeten die om een andere ster dan de Zon draaien heten exoplaneten.

sterrenbeeld     Een sterrenbeeld of constellatie is een denkbeeldige figuur die wordt verkregen door (in gedachten) lijnen te trekken tussen verschillende heldere sterren. Vaak werden deze figuren vereenzelvigd met karakters uit de (Griekse) mythologie. Bekend zijn onder andere de sterrenbeelden van de dierenriem. Zie ook de lijst met sterrenbeelden.

sterrenstelsel     Een sterrenstelsel is een grote verzameling van sterren, gasnevels, stofnevels, et cetera. Een typisch sterrenstelsel heeft zo tussen de 1 miljard (1.000.000.000) en 1 biljoen (1.000.000.000.000) sterren. Bekend zijn de foto's van sterrenstelsels met een mooie spiraalstructuur, maar er bestaan ook elliptische en onregelmatig gevormde sterrenstelsels. Ons zonnestelsel bevindt zich in het sterrenstelsel dat we het Melkwegstelsel noemen, een vrij groot spiraalstelsel met naar schatting circa 200 miljard sterren, waar de Zon er een van is. Sterrenstelsels worden vaak ook melkwegstelsels genoemd, maar feitelijk is dit onjuist (op dezelfde manier als 'sterren' geen 'zonnen' zijn). Een bekend sterrenstelsel is de Andromedanevel, een groot spiraalstelsel dat zich op circa 2 miljoen lichtjaar van ons Melkwegstelsel bevindt en met wat moeite met het blote oog kan worden onderscheiden. Op het zuidelijk halfrond zijn met name de onregelmatige sterrenstelsels de Grote Magelhaese Wolk en de Kleine Magelhaese Wolk opvallend.

umbra     De term umbra is latijn voor schaduw en wordt gebruikt voor: De term umbra staat in tegenstelling tot penumbra.

UT     De afkorting UT staat voor Universal Time (universele tijd). Dit is de tijd die geldt voor de nulmeridiaan, die door de sterrenwacht van Greenwich, in London, loopt. De UT wordt daarom ook wel Greenwich-tijd of wereldtijd genoemd. De UT loopt 1 uur achter op de MET en 2 uur achter op de MEZT.

vallende ster     Zie: meteoor.

volle maan     Volle Maan is de maanfase waarbij de Maan volledig verlicht is. Doordat de Zon precies één helft van de Maan verlicht, en de Maan om de Aarde draait, zien we alleen soms de hele verlichte kant van de Maan. Dit noemen we Volle Maan. Maansverduisteringen kunnen alleen bij Volle Maan voorkomen. Een tweede Volle Maan in dezelfde maand wordt een Blauwe Maan genoemd. Zie ook maanfasen.

vuurbol     Een zeer heldere meteoor wordt ook wel een vuurbol genoemd. Officiëel moet de meteoor hiervoor helderder zijn dan de planeet Venus.

wintertijd     De wintertijd is de standaard-tijdzone die in landen op hogere geografische breedte geldt tijdens de periode die ruwweg van de herfst tot de lente loopt. In de overige maanden geldt in deze landen dan de zomertijd. In de Benelux geldt 's winters de MET. Zie ook: Begin en einde van de zomertijd 1977-2049.

zenit     Het zenit is de naam voor het punt aan de hemel dat zich recht boven je hoofd bevindt. Het zenit heeft dus een hoogte boven de horizon van negentig graden (90°). Er staat geen vaste ster in het zenit, dit hangt af van de plaats op Aarde, de datum en de tijd. Het punt recht tegenover het zenit wordt het nadir genoemd.

zodiak     Zie: dierenriem.

zomertijd     De zomertijd is de tijdzone die in landen op hogere geografische breedte geldt tijdens de periode die ongeveer van de lente tot de herfst loopt. Gedurende deze periode wordt de klok 1 uur vooruit gezet ten opzichte van de standaardtijd, die in dat geval ook wintertijd wordt genoemd. Op die manier is het 's avonds langer licht en kan er energie worden bespaard op bijvoorbeeld verlichting. Op dit moment (2006) begint de zomertijd in de E.U. op de laatste zondag van maart en eindigt op de laatste zondag van oktober. In landen dichter bij de evenaar geldt meestal geen zomertijd, omdat het effect van de seizoenen (zoals lange zomeravonden) daar (veel) geringer is. In de Benelux geldt 's zomers de MEZT. Zie ook: Begin en einde van de zomertijd 1977-2049.

zon     De Zon is de centrale (en enige) ster van ons zonnestelsel en bevat circa 99,99% van zijn massa. Doordat de Zon veel zwaarder is dan enig ander object in ons zonnestelsel, bewegen alle andere objecten in het zonnestelsel om de Zon. De Zon is het enige object in ons zonnestelsel dat zelf licht produceert, de andere hemellichamen reflecteren slechts zonlicht. De Zon heeft een diameter van ongeveer 1,4 miljoen km (ruim 100 keer zo groot als de Aarde) en een oppervlaktetemperatuur van circa 5500°C. De lichtkracht van de Zon is circa 4×1026 Watt, ofwel 400.000.000.000.000.000.000.000.000 Watt. Op het oppervlak van de Zon zijn regelmatig donkere zonnevlekken te zien.

zonnestelsel     Met het zonnestelsel wordt de Zon bedoeld, met "alles wat daarbij hoort", dat wil zeggen, alle hemellichamen die door de zwaartekracht aan de Zon zijn gebonden: planeten, manen, planetoïden, meteoroïden en kometen. In feite zijn al deze hemellichamen de 'restanten' die zijn overgebleven van het ontstaan van de Zon. Andere sterren kunnen net als de Zon planeten hebben, en waarschijnlijk ook hele 'zonnestelsels', die we dan waarschijnlijk planetenstelsels zouden moeten noemen.

zonnevlek     Een zonnevlek is een (relatief) klein, donker gebiedje op het oppervlak van de Zon. Een zonnevlek ontstaat wanneer het oppervlak van de Zon lokaal afkoelt van de normale temperatuur van circa 5500°C tot ruwweg 4500°C. Dit is nog steeds erg heet, maar 'koeler' dan de omgeving, waardoor dit gebiedje op het zonne-oppervlak minder licht uitzendt en dus donker afsteekt tegen de fellere omgeving. De kern van een zonnevlek is het koelst en dus het donkerst. Deze kern wordt aangeduid met de term umbra. Rondom de umbra bevindt zich meestal een gebiedje dat minder afgekoeld is en dus minder donker. Dit wordt de penumbra genoemd. Zonnevlekken hebben typisch diameters van enkele honderden tot enkele duizenden kilometers, en bestaan normaalgesproken enkele uren (voor de kleinere vlekken) tot enkele dagen of zelfs weken voor de grotere vlekken. De zonnevlekken ontstaan door de magnetische activiteit van de Zon, die ook uitbarstingen veroorzaakt. Deze activiteit, en dus ook het aantal zonnevlekken, kent een periode van circa 11 jaar. In 1997 en 2008 vond een minimum plaats in het aantal zonnevlekken.

zonsverduistering     Bij een zonsverduistering of zonne-eclips schuift de Maan tussen de Aarde en de Zon, zodat de Zon vanaf de Aarde gezien wordt afgedekt. We spreken van een gedeeltelijke zonsverduistering wanneer slechts een deel van de Zon wordt afgedekt, van een totale zonsverduistering wanneer de gehele zonneschijf wordt verduisterd (en de Maan dus midden voor de Zon staat) en van een ringvormige zonsverduistering wanneer de Maan midden voor de Zon staat, maar te klein is om de gehele Zon af te dekken, zodat er nog een ringetje van zonlicht zichtbaar is. Totale en ringvormige zonsverduisteringen worden samen centrale zonsverduisteringen genoemd. Een gedeeltelijke zonsverduistering is vaak vanaf een groot deel van de Aarde zichtbaar, terwijl een centrale eclips meestal alleen vanaf een lange, smalle strook op Aarde te zien is. Een zonsverduistering vindt altijd plaats bij Nieuwe Maan, maar, door de inclinatie van de maanbaan, niet bij iedere Nieuwe Maan. Beknopte gegevens voor zonsverduisteringen zijn te vinden in de tabel Zonsverduisteringen in Nederland en België, 2000-2099, details in de tabel Zonsverduisteringen in Nederland en België, 2000-2009. Zie ook: Hoe ontstaat een zonsverduistering?

   




Terug   -   De sterrenhemel voor Nederland en België