Verklarende woordenlijst
|
|
|
a -
b -
c -
d -
e -
f -
g -
h -
i -
j -
k -
l -
m -
n -
o -
p -
q -
r -
s -
t -
u -
v -
w -
x -
y -
z
|
| | |
|
| |
|
aarde
| |
De Aarde is één van de acht planeten van ons zonnestelsel. Vanaf
de Zon gezien is de Aarde de derde planeet. Om de Aarde draait één
satelliet die we de Maan noemen. De Aarde is de enige planeet waarvan
we weten dat er leven op voorkomt.
|
|
| |
|
aardse planeet
| |
Een aardse planeet (ook wel rotsplaneet genoemd) is een planeet die uit vaste rots
bestaat en qua samenstelling, afmetingen en massa op de Aarde lijkt. De aardse planeten in ons
zonnestelsel zijn Mercurius, Venus, de Aarde en Mars. De Aarde is de grootste van deze
vier planeten en een stuk kleiner dan de gasplaneten. De aardse planeten bevinden
zich bovendien dichter bij de Zon.
|
|
| |
|
afplatting
| |
De afplatting van een planeet is de grootheid die aangeeft in hoeverre de vorm van de planeet
afwijkt van een bol. Door de rotatie is een planeet vaak een beetje afgeplat aan de polen en stulpt deze uit aan de equator.
Deze vorm van een afgeplatte bol wordt oblate ellipsoïde genoemd. Een planeet met een afplatting gelijk aan nul
is een perfecte bol, hoe dichter de afplatting bij één ligt, des te 'platter' is de planeet. Voor de planeten
in ons zonnestelsel is het effect van afplatting het grootst bij de planeet Jupiter, door
de grote afmetingen en de snelle rotatie van deze planeet. Afplattingen van de gasplaneten zijn
over het algemeen groter dan die van de aardse planeten. De afplattingen van de verschillende
planeten zijn te vinden in de kolom "e" van de tabel
Gegevens van de planeten.
De afplatting van een planeetbaan wordt excentriciteit genoemd.
|
|
| |
|
anomalistische maand
| |
De anomalistische maand is de tijdspanne tussen tweemaal dezelfde apside van de
Maan (twee perigea of apogea). De anomalistische
maand duurt gemiddeld circa 27,5545499 dagen en wordt iedere 1000 jaar ongeveer 0,9 seconden korter.
|
|
| |
|
aphelium
| |
Het punt van de elliptische baan van een planeet, planetoïde of
periodieke komeet, dat het verst van de Zon ligt.
De Aarde staat rond 4 juli in het aphelium, zodat de Zon dan kleiner lijkt dan gemiddeld.
(Gr.: apo: veraf, Helios: Zon). Gegevens van het aphelium voor iedere planeet zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
Zie ook: perihelium.
|
|
| |
|
apogeum
| |
Het punt van de elliptische baan van de Maan of een kunstsatelliet,
dat het verst van de Aarde ligt en dus een apside.
Wanneer de Maan in het apogeum staat, staat deze verder weg en heeft een kleinere schijnbare diameter.
(Gr.: apo: veraf, Gaia: Aarde). De periode tussen twee apogea heet de
anomalistische maand. Gegevens van het apogeum van de Maan zijn te vinden in de tabel
verschijnselen van de Maan.
Zie ook: perigeum.
|
|
| |
|
apside
| |
Een apside of apsis is een van de twee extreme punten van de elliptische baan van een
hemellichaam,
ofwel het punt dat het dichtste bij (peri-) het omcirkelde object ligt, ofwel het punt dat daar het verst vandaan
(apo-) ligt. Bij een object dat om de Zon draait spreken we van perihelium en
aphelium, bij de Aarde van perigeum en apogeum
en in een dubbelster van periastron en apastron.
Gegevens van de apsiden voor iedere planeet zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen, en voor
de Maan in de tabel verschijnselen van de Maan.
|
|
| |
|
asteroïde
| |
Zie planetoïde.
|
|
| |
|
astronomische eenheid
| |
De astronomische eenheid (A.E.) is een afstandsmaat die wordt gebruikt om afstanden binnen het
zonnestelsel aan te geven. 1 A.E. is de (gemiddelde) afstand van de Aarde
tot de Zon, ongeveer 149,6 miljoen km (149.600.000 km). Om grotere afstanden aan te geven wordt meestal
het lichtjaar of de parsec gebruikt. Er gaan ongeveer 63.240 A.E. in een
lichtjaar en circa 206.265 A.E. in een parsec.
|
|
| |
|
astronomische schemering
| |
Met de term astronomische schemering duidt een sterrenkundige dat deel van een etmaal aan, waarin de Zon minder dan
18° onder de horizon staat. Dit is dus de gehele periode van daglicht, plus (meestal) een deel van de avond en ochtend.
In de Benelux staat de Zon echter midden in de nacht minder dan 18° onder de horizon en dus vindt gedurende de gehele
nacht de astronomische schemering plaats. Het deel van de nacht waarin de Zon meer dan 18° onder de horizon staat,
en wanneer het dus helemaal donker is, noemen we astronomische nacht. Zie bij schemering
voor meer informatie. Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de
interactieve en
niet-interactieve tabellen voor opkomst,
ondergang en schemering, en in de
schemerdiagrammen.
|
|
| |
|
azimut
| |
Het azimut (az.) van een hemellichaam geeft aan in welke (wind)richting het object aan de
hemel staat. Het azimut van een object hangt dus af van de plaats op Aarde, iedere plaats op Aarde heeft immers een (net) iets
andere sterrenhemel. Zo kan het zijn dat in Europa de Zon in het westen staat, en dus bijna ondergaat,
terwijl diezelfde Zon in Amerika op dat moment pas net opkomt en dus in het oosten staat. Het azimut van de Zon is voor deze
twee gevallen dus volstrekt anders. Het azimut van het object wordt
normaal gesproken uitgedrukt in graden (°). Meestal (ook in deze website) wordt het noorden aangeduid
met 0°, het oosten met 90°, het zuiden met 180° en het westen met 270°, net als het geval is met windrichtingen
en een kompas. (In sommige gevallen wordt voor het zuiden 0° genomen, voor het westen 90°, enzovoorts.)
Wanneer men bijvoorbeeld de planeet Uranus wil waarnemen is het niet genoeg te weten dat deze 'in het
oosten' staat, maar kan het azimut gebruikt worden om de nauwkeurige positie weer te geven. Het azimut is dus de coördinaat
die aangeeft waar het object boven (of onder) de horizon staat. Om de exacte positie van het object te weten is dan nog een
tweede coödinaat nodig: de hoogte.
|
| | |
|
| |
|
bedekking
| |
Een bedekking vindt plaats wanneer een groter voorgrondobject voor een kleiner achtergrondobject langs beweegt, en
het achtergrondobject volledig bedekt. Zo vinden er regelmatig sterbedekkingen door de Maan plaats,
wanneer de Maan voor een ster langs beweegt, of bedekkingen
van de manen van Jupiter, wanneer een maan achter de planeetschijf langs beweegt. Wanneer het voorgrondobject groter is,
maar het achtergrondobject niet volledig bedekt spreken we van een gedeeltelijke bedekking. Wanneer het voorgrondobject
kleiner is dan het achtergrondobject (en het dus ook niet volledig bedekt) is er sprake van een overgang.
|
|
| |
|
benedenconjunctie
| |
1. Een binnenplaneet is in benedenconjunctie wanneer de planeet tussen de
Aarde en de Zon door beweegt. De planeet staat dan dus dichter bij de Aarde dan de Zon. Alleen tijdens
een benedenconjunctie kan een overgang van de planeet over de zonneschijf worden waargenomen, al vindt
niet bij iedere benedenconjunctie een overgang plaats, door de inclinatie van de
planeetbaan. Gegevens van de benedenconjuncties van Mercurius en Venus zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
2. Een satelliet is in benedenconjunctie met de planeet
waarom de satelliet draait, wanneer de satelliet tussen de planeet en de Aarde door beweegt. Ook voor een satelliet geldt dat
overgangen over de planeetschijf plaatsvinden bij een benedenconjunctie, maar dat niet iedere benedenconjunctie ook een
overgang betekent. Benedenconjuncties van de manen van Jupiter staan vermeld in de tabellen
verschijnselen van de manen van Jupiter.
Zie ook: bovenconjunctie, conjunctie.
|
|
| |
|
bijschaduw
| |
De bijschaduw of halfschaduw van een donker voorwerp dat wordt verlicht door een lichtbron,
is de minder donkere schaduw die zich niet direct achter het donkere voorwerp bevindt, maar iets verder van de
schaduw-as. De bijschaduw bevindt zich rond de kernschaduw, die zich direct achter
het donkere voorwerp bevindt. Vanuit de bijschaduw gezien wordt de lichtbron slechts gedeeltelijk bedekt,
en valt er dus minder licht van de lichtbron dan normaal.
In de sterrenkunde wordt deze term onder andere gebruikt bij zonsverduisteringen,
wanneer de schaduw van de Maan op de Aarde valt, en bij
maansverduisteringen, wanneer de schaduw van de Aarde op de
Maan valt. In deze gevallen wordt de bijschaduw ook penumbra genoemd.
Wanneer men zich bij een zonsverduistering in de bijschaduw bevindt, ziet men een gedeeltelijke eclips,
(er is een 'hap' uit de Zon) terwijl een waarnemer in de kernschaduw een totale verduistering
(de Zon is volledig verduisterd) ziet. Bij een maansverduistering is de Maan slechts enigszins donkerder dan normaal
wanneer de Maan in de penumbra staat, en vrijwel helemaal donker wanneer de Maan zich in de umbra van de Aarde bevindt.
|
|
| |
|
binnenplaneet
| |
Een binnenplaneet is een planeet die om de Zon draait in een baan die
binnen de baan van de Aarde ligt.
Een binnenplaneet staat dus dichter bij de Zon dan de Aarde. De binnenplaneten zijn Mercurius en Venus.
Zie ook: buitenplaneet.
|
|
| |
|
blauwe maan
| |
Blauwe Maan is de naam voor de tweede Volle Maan in een bepaalde maand. In een gemiddeld jaar
vindt circa 12,368 keer Volle Maan plaats, iets meer dan eens per maand dus. Het overschot (0,368) hoopt zich op totdat er
een tweede Volle Maan in een maand voorkomt. Dit gebeurt gemiddeld eens in de ruim 1/0,368 = 2,715 jaar (2 jaar en 8,6 maanden).
Het gebeurt natuurlijk precies vier maal zo vaak dat een willekeurige maanfase in een maand voorkomt, dat is dus gemiddeld eens in
de 8,15 maanden. Overigens hangt het voorkomen van een Blauwe Maan af van de tijdzone waarin men zich bevindt. Wanneer een Volle
Maan in Europa bijvoorbeeld in de avond van 31 januari plaatsvindt, is het in Australië al februari en is daar dezelfde Volle
Maan dus geen Blauwe Maan.
Zie ook de lijst met Blauwe Manen.
|
|
| |
|
boogminuut
| |
Een boogminuut (') is een maat om een (kleine) hoek aan te geven. Er gaan 60' in een
graad (°) en 60 boogseconden in een 1'.
Er gaan dus 21.600' in een cirkel, en 1' = 0,0167°.
|
|
| |
|
boogseconde
| |
Een boogseconde (") is een maat om een kleine hoek aan te geven. Er gaan 60" in een
boogminuut, 3600" in een graad (°) en dus 1.296.000"
in een cirkel. 1" is dus 1/3600°, ofwel 0.000278°. Voor hele kleine hoeken (bijvoorbeeld
een parallax van een ster op grote afstand) wordt vaak de
milliboogseconde (milliarcsecond, mas) gebruikt.
|
|
| |
|
bovenconjunctie
| |
1. Een binnenplaneet is in bovenconjunctie wanneer de planeet vanaf de
Aarde gezien achter de Zon langs beweegt. De planeet staat dan dus verder van de Aarde dan de Zon.
Gegevens van de benedenconjuncties van Mercurius en Venus zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
2. Een satelliet is in bovenconjunctie met de planeet
waarom de satelliet draait, wanneer de satelliet vanaf de Aarde gezien achter de planeet langs beweegt. Bedekkingen
van de satelliet door de planeetschijf vinden plaats bij een bovenconjunctie, maar niet iedere bovenconjunctie betekent
een overgang. Bovenconjuncties van de manen van Jupiter staan vermeld in de tabellen
verschijnselen van de manen van Jupiter.
Zie ook: benedenconjunctie, conjunctie.
|
|
| |
|
buitenplaneet
| |
Een buitenplaneet is een planeet die om de Zon draait in
een baan die buiten de baan van de Aarde ligt.
Een buitenplaneet staat dus verder van de Zon dan de Aarde. De buitenplaneten zijn Mars, Jupiter,
Saturnus, Uranus en Neptunus.
Zie ook: binnenplaneet.
|
|
| |
|
burgerlijke schemering
| |
Met de term burgerlijke schemering duidt een sterrenkundige dat deel van een etmaal aan, waarin de Zon minder dan
6° onder de horizon staat. Dit is dus de gehele periode van daglicht, plus (meestal) een deel van de avond en ochtend.
Het deel van de nacht waarin de Zon meer dan 6° onder de horizon staat, noemen we burgerlijke nacht. Zie bij
schemering voor meer informatie.
Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de
interactieve en
niet-interactieve tabellen voor opkomst,
ondergang en schemering, en in de
schemerdiagrammen.
|
| | |
|
| |
|
conjunctie
| |
1. Samenstand tussen twee hemellichamen, bijvoorbeeld de Maan
en een ster. Officiëel
vindt de conjunctie plaats op het moment dat de twee hemellichamen dezelfde Rechte Klimming hebben, sommigen gebruiken
de term voor gelijke ecliptische lengte. Beide definities duiden echter geen moment aan dat voor het oog bijzonder is;
twee hemellichamen kunnen in theorie in conjunctie zijn en toch 180° uit elkaar staan. Om die reden staat in de
astrokalender
van deze website het moment van nauwste samenstand vermeld.
2. Samenstand tussen een planeet en de Zon. Bij een
buitenplaneet spreken we van
'de' conjunctie, wanneer de planeet vanaf de Aarde gezien achter de Zon langs beweegt (en al dan niet door de Zon
wordt bedekt), zodat deze enige tijd onzichtbaar is door het felle zonlicht. Het tegenovergestelde van conjunctie in
dit verband is oppositie.
Bij binnenplaneten onderscheiden we de bovenconjunctie en de
benedenconjunctie.
Gegevens van de conjuncties van de planeten zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
|
| | |
|
| |
|
deep-sky object
| |
Een deep-sky object is een zwak hemellichaam op grote afstand, zodat doorgaans een
grote, lichtsterke telescoop nodig is om het object te kunnen waarnemen. Voorbeelden van deep-sky objecten zijn bijvoorbeeld
gasnevels en sterrenstelsels. Behalve een lichtsterke telescoop is
vaak ook een donkere waarneemplaats nodig, omdat men met name bij het waarnemen van deep-sky objecten veel last kan hebben van
lichtvervuiling.
|
|
| |
|
dierenriem
| |
De dierenriem of zodiak is de verzameling van sterrenbeelden op de ecliptica, die
hoofdzakelijk dieren voorstellen. Volgens astrologen bepaalt het sterrenbeeld waarin de Zon zich bevindt op het moment
dat een persoon wordt geboren, de eigenschappen van die persoon. (Die persoon 'heeft' of 'is' dan dat sterrenbeeld).
Hierbij wordt dan ten eerste geen rekening gehouden met
het feit dat er niet 12, maar 13 tekens van de dierenriem zijn (iemand die wordt geboren tussen 30 november en 17 december
is eigenlijk een Slangendrager!) en bovendien wordt geen rekening gehouden met de precessie,
waardoor de dierenriem inmiddels één sterrenbeeld is opgeschoven, en de door astrologen gebruikte methode
dus 2000 jaar achterloopt.
|
| | |
|
| |
|
eclips
| |
Met een eclips wordt een maansverduistering of (meestal)
zonsverduistering bedoeld.
|
|
| |
|
ecliptica
| |
De ecliptica is het schijnbare pad van de Zon aan de hemel, waar de eclipsen plaatsvinden.
Doordat de banen van de planeten en de Maan vrijwel in een vlak liggen, bevinden deze hemelobjecten zich meestal
ook in de buurt van de ecliptica aan de hemel. De bekende sterrenbeelden van de dierenriem
liggen aan de ecliptica.
|
|
| |
|
eerste kwartier
| |
Het Eerste Kwartier (E.K.) is de maanfase, waarbij de rechterhelft van de Maan verlicht is (in Nederland en België
tenminste, op het zuidelijk halfrond is het de linkerhelft). Een ezelsbruggetje om het verschil tussen Eerste Kwartier en
Laatste Kwartier te onthouden is dat van de halve Maan bij E.K. de letter p van
premier (frans voor eerste) gemaakt kan worden, door een steeltje aan de Maan te denken.
Zie maanfasen.
|
|
| |
|
ellips
| |
Een ellips is een afgeplatte cirkel, met twee brandpunten. De planeten draaien in elliptische
banen om de Zon, waarbij de Zon in een van de brandpunten staat. Ook de Maan draait in een elliptische baan
om de Aarde. Het gevolg hiervan is dat de Maan soms dichter bij de Aarde staat en soms verder weg, waardoor
de apsiden ontstaan. De mate waarin een ellips afgeplat is heet excentriciteit.
Een cirkel heeft een excentriciteit gelijk aan nul, zodat beide brandpunten samenvallen, een ellips tussen nul
en één. Hoe hoger de excentriciteit van een ellips, des te verder liggen ook de apsiden
uit elkaar.
|
|
| |
|
elongatie
| |
De elongatie van een planeet is de hoekafstand tussen die planeet en de Zon.
Een elongatie van 0° betekent dat
de planeet in conjunctie is, een planeet met een elongatie van 180° is in
oppositie. Mercurius en Venus bereiken hun grootste elongatie
op veel kleinere afstand tot de Zon. De elongatie van alle planeten voor ieder moment is weergegeven in kolom 4 van
de tabel planeetgegevens.
|
|
| |
|
equinox
| |
De equinox of nachtevening is het moment waarop de Zon recht boven de equator of evenaar staat, waardoor
de dag en de nacht precies even lang duren (Lat.: equi: gelijk, nox: nacht). Het begin van de lente
is gedefinieerd als de lente-equinox, rond 21 maart, het begin van de herfst als de herfstequinox, rond 23 september.
De equinoxen bepalen mede de seizoenen.
De equinoxen voor de Aarde zijn weergegeven in de tabel
Seizoenen 2000-2050.
|
|
| |
|
excentriciteit
| |
De excentriciteit van een ellips, zoals bijvoorbeeld een planeetbaan, is de grootheid die aangeeft in hoeverre
de ellips afwijkt van een cirkel. Een cirkel heeft een excentriciteit gelijk aan nul. Hoe langgerekter (meer afgeplat)
een ellips is, des te dichter ligt de excentriciteit bij één.
De excentriciteiten van de planeetbanen zijn te vinden in de kolom met het kopje "e" in de tabel
Gegevens van de planeetbanen. Daarin is te zien
dat de baan van Mercurius erg afgeplat is, terwijl die van Venus bijna cirkelvormig is. Om aan te geven of een planeet
bolvorming is of niet, spreken we van de afplatting van die planeet.
Een parabool heeft een excentriciteit gelijk aan één, bij een hyperbool is
dit groter dan één. Parabolische en hyperbolische banen zijn geen gesloten krommen, zodat de
baanbeweging niet periodiek is (bijvoorbeeld bij een niet-periodieke komeet), in tegenstelling
tot een ellips- of cirkelbaan.
|
|
| |
|
exoplaneet
| |
Een exoplaneet is een planeet die niet tot ons zonnestelsel behoort, maar in een
baan om een andere ster draait. Door de grote afstand, het feit dat planeten zelf geen licht
produceren en het verblindende licht van de nabije centrale ster, zijn exoplaneten (vooralsnog) alleen indirect waarneembaar. Op dit moment
zijn meer dan honderd exoplaneten, en een aantal kleine planetenstelsels bekend.
|
| | |
|
| |
|
fase
| |
De fase of schijngestalte van een hemellichaam is de fractie van dat hemellichaam dat verlicht is.
Het meest bekend zijn de maanfasen, maar ook de planeten vertonen tot op een bepaalde
hoogte fasen. Doordat de binnenplaneten zich, vanaf de Aarde gezien, zowel voor als
achter de Zon kunnen bevinden, vertonen zij alle fasen (van helemaal onverlicht (0%) tot volledig
verlicht (100%)), net als de Maan. Een binnenplaneet is volledig verlicht wanneer deze zich in
bovenconjunctie bevindt (vergelijk met Volle Maan) en
volledig onverlicht wanneer deze zich in benedenconjunctie bevindt (zoals bij
Nieuwe Maan). De buitenplaneten
vertonen niet alle fasen, zij zijn altijd voor vrijwel 100% verlicht. Dit is meer het geval naarmate de planeet
zich verder van de Zon bevindt (meer voor Neptunus dan Mars).
De fase van Maan en planeten op ieder moment is te vinden in de interactieve tabel
Posities en andere gegevens voor
Zon, Maan en planeten.
|
| | |
|
| |
|
gasnevel
| |
Een gasnevel of kortweg nevel is een hemellichaam dat meestal zichtbaar is
als een wazig vlekje aan de sterrenhemel. Vrijwel altijd is een grote verrekijker of kleine telescoop nodig
om zo'n nevel te zien, met name in de Benelux, met al zijn lichtvervuiling.
We onderscheiden nevels die zichtbaar zijn doordat ze licht uitstralen (emissienevel en reflectienevel), of
doordat ze het licht van achterliggende sterren of nevels blokkeren (absorptienevel). Een emissienevel wordt
door een of meerdere sterren in de buurt verhit, waardoor de nevel licht gaat uitstralen, een reflectienevel
reflecteert voornamelijk sterlicht, en een absorptienevel steekt donker af tegen een helderder achtergrond.
De bekendste nevel is de Orionnevel, een grote emissienevel in het sterrenbeeld
Orion, die al met het blote oog als zwak 'sterretje' zichtbaar is.
|
|
| |
|
gasplaneet
| |
Een gasplaneet is een planeet die voor het grootste gedeelte, of helemaal,
uit gas bestaat. De gasplaneten in ons zonnestelsel zijn Jupiter, Saturnus,
Uranus en Neptunus. De gasplaneten worden vanwege hun omvang en massa ook wel de reuzenplaneten
genoemd. Ze zijn verschillende male zwaarder en groter dan de aardse planeten
en bevinden zich verder van de Zon.
|
|
| |
|
graad
| |
Een graad (°) is een maat om een hoek aan te geven. Er gaan 360° (360 graden) in een
cirkel, en 90° in een rechte hoek. Eén graad bevat 60 boogminuten (') en 3600
boogseconden ("), d.w.z. 1° = 60' = 3600".
Hoeken worden soms in decimale graden, graden en minuten of graden, minuten en seconden weergegeven,
bijvoorbeeld 1,234° = 1°14,04' = 1°14'2,4".
|
|
| |
|
grootste elongatie
| |
De grootste elongatie van een binnenplaneet is het punt waar de planeet het
verst van de Zon staat, en dus de maximale elongatie heeft. Voor Mercurius is de grootste
elongatie nooit meer dan 28°, voor Venus is dit maximaal 48°. Afhankelijk van de positie van de planeet ten opzichte
van de Zon spreekt men van grootste westelijke elongatie of grootste oostelijke elongatie. In het
eerste geval is de planeet voor zonsopkomst te zien aan de ochtendhemel, in het tweede geval na zonsondergang aan de
avondhemel.
Zie ook: uitleg bij grootste elongaties,
tabellen met grootste elongaties voor
Mercurius
en Venus.
|
| | |
|
| |
|
halfschaduw
| |
Een halfschaduw wordt in de sterrenkunde vaak bijschaduw of penumbra genoemd.
|
|
| |
|
hemellichaam
| |
Met een hemellichaam bedoelen we heel algemeen een object dat zich aan de (sterren)hemel bevindt. Vaak gaat het
dan om de Zon, de Maan, planeten of sterren.
Dit zijn de best zichtbare hemellichamen. Je kunt echter ook denken aan manen van andere planeten,
planetoïden, kometen, sterrenstelsels,
gasnevels, etcetera.
|
|
| |
|
hoogte
| |
De hoogte (h.), voluit hoogte boven de horizon, van een hemellichaam geeft aan hoe hoog
het object aan de hemel staat. De hoogte van een object hangt dus af van de plaats op Aarde, iedere plaats op Aarde heeft immers
een (net) iets andere sterrenhemel. Zo kan het zijn dat in Europa de Zon hoog boven de horizon staat (op grote
hoogte), terwijl deze in bijvoorbeeld India al ondergaat en dus laag boven de horizon staat (op geringe hoogte). De hoogte van het
object wordt normaalgesproken uitgedrukt in graden (°). Een positive hoogte betekent dat het object zich
boven de horizon bevindt, een negatieve hoogte betekent dat het object zich onder de horizon bevindt. Een object dat opkomt of
ondergaat heeft dus hoogte van 0°. Het punt recht boven het hoofd (het zenit) heeft h=90°, het punt
recht onder de voeten (het nadir) heeft h=-90°. De grootste hoogte van de Zon boven de horizon in Utrecht
is in de zomer ruim 60°, midwinter nog geen 15°. De poolster staat er op een hoogte van circa 38°. Om de exacte positie
van een object aan te geven is een tweede coördinaat nodig, die aangeeft waar het object boven (of onder) de horizon staat:
het azimut.
|
| | |
|
| |
|
inclinatie
| |
1. De hoek die de rotatieas van een planeet of maan maakt ten opzichte van het vlak
waarin de omloopbaan ligt.
2. De hoek die het vlak van een planeetbaan (het 'baanvlak') maakt met het vlak van het zonnestelsel. Doordat de planeten
niet precies (maar wel ongeveer) in één vlak om de Zon draaien vindt bijvoorbeeld niet bij iedere
benedenconjunctie een overgang plaats.
3. De hoek die het baanvlak van een satelliet maakt met het equatorvlak van de planeet.
Doordat de baan van de Maan om de Aarde een inclinatie heeft, vindt niet iedere Nieuwe Maan een
zonsverduistering plaats.
|
| | |
|
| |
|
jaargetijde
| |
Zie seizoen.
|
| | |
|
| |
|
kernschaduw
| |
De kernschaduw of slagschaduw van een donker voorwerp dat wordt verlicht door een lichtbron,
is de donkere schaduw direct achter het donkere voorwerp dat de schaduw produceert. Verder van de schaduw-as, rond
de kernschaduw, bevindt zich meestal de bijschaduw. Vanuit de kernschaduw gezien
wordt de lichtbron volledig bedekt, en valt er dus geen (direct) licht van de lichtbron.
In de sterrenkunde wordt deze term onder andere gebruikt bij zonsverduisteringen,
wanneer de schaduw van de Maan op de Aarde valt, en bij
maansverduisteringen, wanneer de schaduw van de Aarde op de
Maan valt. In deze gevallen wordt de kernschaduw ook umbra genoemd.
Wanneer men zich bij een zonsverduistering in de kernschaduw bevindt, ziet men een totale eclips,
(de Zon is volledig verduisterd) terwijl een waarnemer in de bijschaduw een gedeeltelijke verduistering
(er is slechts een 'hap' uit de Zon) ziet. Bij een maansverduistering is de Maan vrijwel helemaal donker wanneer
de Maan zich in de umbra van de Aarde bevindt, doordat geen direct zonlicht de Maan kan bereiken (maar, zie ook:
De rode kleur van de verduisterde Maan), en slechts
enigszins donkerder dan normaal wanneer de Maan in de penumbra staat.
|
|
| |
|
komeet
| |
Een komeet is weinig meer dan een 'grote, vuile sneeuwbal' die in een elliptische baan om de Zon beweegt.
In feite is dit de komeetkern, met een typische diameter van ongeveer 1 km. Wanneer zo'n komeetkern
dichter bij de Zon komt, gaat het ijs verdampen door de warmte. Hierdoor ontstaat een min of meer bolvormige
wolk van gas, stof en gruis die de halo van de komeet wordt genoemd. Onder invloed van de druk die het
felle zonlicht op de halo uitoefent, wordt de halo 'weggeblazen', zodat een staart ontstaat, die dus altijd van de
Zon af wijst. Om deze reden worden kometen ook wel staartsterren genoemd. Doordat een komeetbaan vaak
zeer elliptisch is, staat een komeet meestal te ver van de Zon om een halo of staart te ontwikkelen, terwijl de
komeet slechts korte tijd (rond het perihelium) zichtbaar is. Sommige kometen zijn
periodiek, en komen na enkele tientallen, honderden of duizenden jaren weer in de buurt van de Zon, andere
hebben een hyperbolische baan en komen slechts eenmaal langs de Zon. De bekendste komeet is de komeet van
Halley, met een periode van ongeveer 76 jaar.
Het gruis dat losgemaakt wordt van een komeet produceert meteoroïden en
meteoorzwermen.
|
|
| |
|
kpc
| |
De afkorting kpc staat voor kiloparsec, ofwel 1000 parsec.
|
|
| |
|
kwartier
| |
Het eerste kwartier en laatste kwartier zijn maanfasen, waarbij de Maan halfvol is. Zie maanfasen.
|
| | |
|
| |
|
laatste kwartier
| |
Het Laatste Kwartier (L.K.) is de maanfase, waarbij de linker helft van de Maan verlicht is (in Nederland en België
tenminste, op het zuidelijk halfrond is het de rechterhelft). Een ezelsbruggetje om het verschil tussen Laatste Kwartier en
Eerste Kwartier te onthouden is dat van de halve Maan bij L.K. de letter d van
dernier (Frans voor laatste) gemaakt kan worden, door een steeltje aan de Maan te denken.
Zie maanfasen.
|
|
| |
|
lichtjaar
| |
Een lichtjaar (lj) is de afstand die het licht in een jaar tijd aflegt. Een lichtjaar is dus een afstandsmaat
(geen tijdspanne) en bedraagt ongeveer 9,46 biljoen km (9.460.000.000.000 km). Het lichtjaar wordt gebruikt om afstanden
naar sterren en sterrenstelsels aan te geven. In plaats van het lichtjaar
wordt vaak de parsec gebruikt, voor afstanden binnen het zonnestelsel
gebruikt men de astronomische eenheid. Er gaan ongeveer 63.240 astronomische eenheden
in een lichtjaar en circa 3,26 lj in een parsec.
|
|
| |
|
lichtvervuiling
| |
Met lichtvervuiling wordt de grote hoeveelheid, vaak overbodig, kunstlicht bedoeld die wordt uitgestraald
door bijvoorbeeld straatlantaarns, broeikassen, gevelverlichting, huishoudens, et cetera. Wetenschappers vrezen dat de
lichtvervuiling het dag- en nachtritme van flora en fauna danig kan storen. Ook voor sterrenkundigen is de
lichtvervuiling net zo schadelijk als het woord doet vermoeden. Het licht wordt in de atmosfeer verstrooid, wordt hierdoor
gedeeltelijk weer richting het aardoppervlak gestuurd en komt dus in het oog, de verrekijker of de telescoop terecht
van de (amateur)astronoom. Het gevolg hiervan is dat overal uit het heelal licht lijkt te komen, en dit zorgt voor een
zwak lichtende waas als hemelachtergrond. Doordat de hemelachtergrond enigszins licht geeft, zijn
deep-sky objecten minder goed tot helemaal niet meer zichtbaar. Indien er geen licht op Aarde
zou worden geproduceerd, zou die hemelachtergrond (vrijwel) volledig zwart zijn, al kan in zo'n geval de
Volle Maan ook een storende bron van strooilicht zijn. In West-Europa is de situatie wat betreft
lichtvervuiling tamelijk zorgwekkend, en inderdaad zijn er veel minder sterren te zien dan in bijvoorbeeld Zuid-Europa
of Afrika.
Zie ook Waar in Nederland kun je het beste sterrenkijken?
|
| | |
|
| |
|
maan
| |
Een maan of satelliet is een hemellichaam dat zich in een baan
om een planeet bevindt. De Aarde heeft één natuurlijke satelliet:
De Maan en vele kunstmanen of kunstsatellieten. Mercurius en Venus hebben geen manen, de
buitenplaneten hebben vaak enkele tientallen manen, hoewel beide manen van Mars ingevangen
planetoïden zijn.
|
|
| |
|
maanfasen
| |
Met de maanfasen of schijngestalten van de Maan wordt het steeds veranderende aangezicht van de Maan
bedoeld. In feite is de fase van de Maan op ieder moment de fractie van het zichtbare maanoppervlak dat verlicht is.
Er zijn echter vier benoemde maanfasen, die iedere ongeveer 29,53 dagen een keer voorkomen, in deze volgorde: Nieuwe Maan,
Eerste Kwartier, Volle Maan en Laatste Kwartier. Hierna komt de Nieuwe Maan weer terug.
De fasen ontstaan doordat de Maan om de Aarde beweegt (en de Aarde om de Zon).
Bij Nieuwe Maan staat de Maan tussen de Aarde en de Zon, waardoor de onverlichte zijde van de Maan naar de Aarde
is gekeerd en we op Aarde dus alleen de donkere kant van de Maan kunnen zien. Bij Eerste Kwartier
en Laatste Kwartier zijn
de rechter-, respectievelijk linker helft van de Maan verlicht (vanaf het noordelijk halfrond, op het zuidelijk
halfrond is dit precies omgekeerd). Bij Volle Maan is de Maan als het ware in
oppositie en is de gehele naar de Aarde toegekeerde zijde van de Maan verlicht.
Zonsverduisteringen vinden dus alleen plaats bij Nieuwe Maan,
maansverduisteringen alleen bij Volle Maan.
Gegevens van de maanfasen zijn te vinden in de tabel
verschijnselen van de Maan.
Zie ook: Hoe ontstaan de fasen van de maan?
De fase van de Maan (en planeten) op ieder moment is te vinden in de interactieve tabel
Posities en andere gegevens voor Zon, Maan en planeten.
|
|
| |
|
maansverduistering
| |
Bij een maansverduistering of maaneclips beweegt de Maan achter de Aarde langs, gezien vanaf
de Zon. De Aarde staat dan dus tussen de Zon en de Maan in, zodat de schaduw van de Aarde op de Maan valt
en de Maan wordt verduisterd.
We spreken van gedeeltelijke en totale maansverduisteringen, afhankelijk van het gedeelte van de Maan dat
wordt verduisterd. Bovendien kennen we maansverduisteringen in de donkere kernschaduw (umbra)
van de Aarde, wanneer de Maan precies achter de Aarde staat en dus helemaal geen (direct) licht van de Zon ontvangt, en
maansverduisteringen in de bijschaduw (penumbra) van de Aarde, wanneer nog een deel van
het directe zonlicht de Maan bereikt (maar minder dan normaal). Een maansverduistering
vindt altijd plaats bij Volle Maan, maar, door de inclinatie van de
maanbaan, niet bij iedere Volle Maan. Voor beknopte gegevens van maansverduisteringen, zie de tabel
Maansverduisteringen 2000-2049.
Voor details van (voor Nederland en België) geselecteerde verduisteringen, zie de tabel
Maansverduisteringen 2005-2009.
Zie ook Hoe ontstaat een maansverduistering?
in de veelgestelde vragen.
|
|
| |
|
magnitude
| |
De magnitude (m) of grootte van een hemellichaam is een maat voor zijn helderheid.
Deze eenheid werd al in de oudheid geïntroduceerd, door de sterren in zes klassen in te delen. De helderste sterren
kwamen in klasse 1, de zwakste, nog net met het blote oog waarneembare sterren werden in klasse 6 ingedeeld. De
helderste sterren hebben dus de laagste magnitude. Later, toen het
mogelijk werd de helderheid direct te meten, bleek dat deze indeling ongeveer overeenkwam met een logaritmische schaal.
Tegenwoordig gebruikt men deze schaal nog steeds. De Zon heeft een helderheid van -26,8m, de volgende helderste ster
aan de hemel, Sirius, heeft magnitude -1,4.
|
|
| |
|
melkweg
| |
1.
De Melkweg is de naam van de zwakke, nevelachtige band die op een heldere, donkere nacht aan de sterrenhemel
kan worden gezien. Het blijkt te gaan om de projectie van ons Melkwegstelsel, waarin
wij ons bevinden. Wanneer men een telescoop met voldoende vergroting op de Melkweg richt, zien men dat deze oplost
in miljarden sterren en gasnevels.
2.
Ons Melkwegstelsel wordt soms kortweg de Melkweg genoemd.
|
|
| |
|
melkwegstelsel
| |
1.
Het Melkwegstelsel is de naam van het sterrenstelsel waarin zich ons
zonnestelsel, en dus de Aarde, bevindt.
Het Melkwegstelsel is een vrij groot spiraalstelsel met naar schatting circa 200 miljard
sterren, waar de Zon er één van is. Van boven gezien heeft het
Melkwegstelsel dus een spiraalstructuur, van de zijkant is het vrij plat, met een verdikking in het centrum.
De projectie van het Melkwegstelsel aan onze hemel is te zien als een vage, nevelachtige band die de
Melkweg wordt genoemd.
2.
Het woord melkwegstelsel wordt ook vaak gebruikt als synoniem voor sterrenstelsel,
maar feitelijk is dit onjuist (op dezelfde manier als 'sterren' geen 'zonnen' zijn).
|
|
| |
|
MET
| |
De afkorting MET staat voor Midden-Europese Tijd, bij ons wintertijd genoemd.
Dit is de tijd die geldt in de tijdzone waarin onder andere Nederland en België
zich bevinden. De MET geldt ruwweg van november tot en met maart. In de rest van het jaar geldt de MEZT.
De MET loopt 1 uur voor op de UT.
|
|
| |
|
meteoriet
| |
Een meteoriet is een stuk steen of rotsblok dat inslaat, of is ingeslagen, op een groter
hemellichaam, bijvoorbeeld een planeet. Een inslaande meteoriet veroorzaakt over het
algemeen een krater. Voordat de meteoriet insloeg heette het rotsblok een meteoroïde.
Als een meteoroïde door de aardatmosfeer beweegt, vlak voor een inslag, veroorzaakt deze een lichtend spoor dat we
een meteoor noemen.
|
|
| |
|
meteoor
| |
Een meteoor is een lichtflitsje dat snel langs de nachthemel beweegt en in de volksmond wel een
vallende ster wordt genoemd. Het gaat hier echter om een klein rotsblokje dat door het
zonnestelsel bewoog en meteoroïde wordt genoemd.
Wanneer zo'n meteoroïde in de aardatmosfeer terecht komt, brengt het door de grote wrijving de atmosfeer
om zich heen aan het lichten, wat we dus kunnen zien als een meteoor. Wanneer een meteoor inslaat (op
Aarde of op een ander hemellichaam) spreken we van een meteoriet.
Kleine meteoren verdampen voordat ze het aardoppervlak bereiken, op een hoogte van ruwweg tussen de 80 en
120km. Een heldere meteoor wordt ook wel een vuurbol genoemd. Veel meteoren komen
voor in meteoorzwermen.
|
|
| |
|
| |
|
meteoorzwerm
| |
Een meteoorzwerm of meteorenzwerm is een verzameling van meteoren die rond dezelfde tijd en
in hetzelfde gebied aan de hemel zichtbaar zijn. Het punt aan de hemel waaruit de meteoren lijken te komen
wordt de radiant genoemd. Veel van deze meteoorzwermen zijn ieder jaar rond dezelfde
tijd zichtbaar (Zie de lijst
met jaarlijkse meteoorzwermen). De meteoroïden die de meteoren in een zwerm
veroorzaken, bevinden zich in dezelfde wolk. De Aarde beweegt zich jaarlijks rond dezelfde datum door deze
wolk, zodat de meteorenzwerm ieder jaar rond dezelfde tijd terugkomt. Zo'n wolk is vaak een onderdeel
van het spoor van stof en gruis, achtergelaten door een komeet.
|
|
| |
|
meteoroïde
| |
Een meteoroïde is een stuk steen, met een grootte die ligt tussen de grootte van een zandkorrel
en die van een flink rotsblok, dat zich door het zonnestelsel beweegt.
Wanneer een meteoroïde in de aardatmosfeer terechtkomt, veroorzaakt deze een lichtend spoor dat we een
meteoor noemen. Een meteoroïde die inslaat, bijvoorbeeld op een planeet, noemen
we een meteoriet.
|
|
| |
|
MEZT
| |
De afkorting MEZT staat voor Midden-Europese ZomerTijd. Dit is de tijd die geldt in de
tijdzone waarin onder andere Nederland en België zich bevinden. De MEZT geldt ruwweg van april tot en met oktober.
In de rest van het jaar geldt de MET. De MEZT loopt 2 uur voor op de UT.
|
|
| |
|
Mpc
| |
De afkorting Mpc staat voor megaparsec, ofwel 1.000.000 parsec.
|
| | |
|
| |
|
nachtevening
| |
Zie equinox.
|
|
| |
|
nadir
| |
Het nadir is de naam voor het punt aan de hemel dat zich recht onder je voeten bevindt. Het nadir heeft dus een
hoogte boven de horizon van min negentig graden (-90°).
Het punt recht tegenover het nadir wordt het zenit genoemd.
|
|
| |
|
nautische schemering
| |
Met de term nautische schemering duidt een sterrenkundige dat deel van een etmaal aan, waarin de Zon minder dan
12° onder de horizon staat. Dit is dus de gehele periode van daglicht, plus (meestal) een deel van de avond en ochtend.
Het deel van de nacht waarin de Zon meer dan 12° onder de horizon staat, en waarin het dus behoorlijk donker wordt,
noemen we nautische nacht. Zie bij schemering voor meer informatie.
Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de
interactieve en
niet-interactieve tabellen voor opkomst,
ondergang en schemering, en in de
schemerdiagrammen.
|
|
| |
|
nieuwe maan
| |
Nieuwe Maan is de maanfase waarbij de Maan helemaal onverlicht is. Doordat de
Zon slechts één helft van de Maan verlicht, en de Maan om de
Aarde draait, zien we soms alleen de donkere kant van de Maan. Dit noemen we Nieuwe Maan.
Zonsverduisteringen kunnen alleen bij Nieuwe Maan voorkomen.
Zie ook maanfasen.
|
| | |
|
| |
|
oppositie
| |
Een planeet of planetoïde is in oppositie wanneer deze tegenover de Zon aan de hemel staat.
De Zon, de Aarde en het object staan dan dus op een lijn. Het gevolg hiervan is dat het object opkomt
rond het moment dat de Zon ondergaat en omgekeerd, waardoor het object dus vrijwel de gehele nacht zichtbaar
is. Daarnaast staat het object tijdens de oppositie relatief dicht bij de Aarde, waardoor het
een grotere schijnbare diameter en helderheid heeft dan gemiddeld. Een oppositie van een planeet is dus
een uitgelezen moment om die planeet waar te nemen. Binnenplaneten vertonen geen
opposities, buitenplaneten laten vaak een oppositielus zien.
Het tegenovergestelde van een oppositie is een conjunctie.
Gegevens van de opposities van de buitenplaneten zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
|
|
| |
|
oppositielus
| |
Een buitenplaneet maakt in de periode rond zijn oppositie
vaak een oppositielus.
Deze ontstaat doordat de Aarde de planeet inhaalt, doordat de Aarde ten eerste een grotere baansnelheid heeft
en ten tweede een kleinere baan. Hierdoor lijkt de buitenplaneet achteruit te bewegen, wat ook wel
retrograde beweging wordt genoemd. Bij het begin en einde van de oppositielus
staat de planeet dus even stil in voorwaartse beweging. We zeggen dan dat de planeet stationair is.
|
|
| |
|
overgang
| |
Een overgang vindt plaats wanneer een kleiner voorgrondobject voor een groter achtergrondobject langs beweegt, en
het achtergrondobject dus gedeeltelijk bedekt. Zo vinden er af en toe overgangen van Mercurius over de Zon
plaats, waarbij de kleine planeet als een zwarte stip op de heldere zonneschijf zichtbaar is. Een ander voorbeeld van
overgangen zijn de overgangen van de manen van
Jupiter, wanneer een maan of zijn schaduw vanaf de Aarde gezien over de planeetschijf beweegt. Wanneer
het voorgrondobject groter is dan het achtergrondobject, spreken we van een bedekking.
|
| | |
|
| |
|
parallax
| |
De jaarlijkse parallax van een ster is de schijnbare beweging die de ster aan de hemel
maakt ten gevolge van de baanbeweging van de Aarde. Door de beweging van de Aarde lijken
nabije sterren een beetje te bewegen ten opzichte van ververwijderde sterren, net zoals vanuit een rijdende trein
nabije bomen snel voorbijschieten ten opzichte van bijvoorbeeld een berg op grote afstand. De parallax wordt
meestal gemeten in boogseconden (″), een ster met een parallax van 1″ heeft een afstand van 1
parsec. Een ster die tweemaal zover weg staat heeft een tweemaal zo kleine jaarlijkse
parallax, en dus heeft een ster op een afstand van 10pc een parallax van 0,1″.
|
|
| |
|
parsec
| |
Een parsec (pc) is een afstandsmaat die wordt gebruikt om afstanden naar sterren en
sterrenstelsels aan te geven. In plaats van de parsec wordt vaak het
lichtjaar gebruikt, voor afstanden binnen het zonnestelsel
gebruikt men de astronomische eenheid. Er gaan ongeveer 206.265 astronomische
eenheden in een en circa 3,26 lichtjaar in een parsec. De naam parsec komt van de samentrekking van
parallax en boogseconde ("); De parsec is namelijk
zo gedefinieerd dat een ster met een parallax van 1" op een afstand van 1pc staat. Voor grotere afstanden worden
vaak de kiloparsec (1 kpc = 1000 pc) en megaparsec (1 Mpc = 1.000.000 pc) gebruikt.
|
|
| |
|
pc
| |
De afkorting pc staat voor parsec.
|
|
| |
|
penumbra
| |
De term penumbra is latijn voor halfschaduw en wordt gebruikt voor:
De term penumbra staat in tegenstelling tot umbra.
|
|
| |
|
perigeum
| |
Het punt van de elliptische baan van de Maan of een satelliet, dat het dichtst bij de Aarde
ligt en dus een apside.
Wanneer de Maan in het perigeum staat, staat deze dichter bij en heeft een grotere schijnbare diameter.
(Gr.: peri: (dicht)bij, Gaia: Aarde). De periode tussen twee perigea heet de
anomalistische maand. Gegevens van het apogeum van de Maan zijn te vinden in de tabel
verschijnselen van de Maan.
Zie ook: apogeum.
|
|
| |
|
perihelium
| |
Het punt van de elliptische baan van een planeet, planetoïde of komeet,
dat het dichtst bij de Zon ligt.
De Aarde staat rond 4 januari in het perihelium, zodat de Zon dan groter lijkt dan gemiddeld.
(Gr.: peri: dichtbij, Helios: Zon). Gegevens van het perihelium voor iedere planeet zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
Zie ook: aphelium.
|
|
| |
|
planeet
| |
Een planeet is een groot en rond hemellichaam dat om een ster draait.
De planeten die wij goed kennen zijn: Mercurius, Venus, de Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus.
Zij draaien om de centrale ster van ons zonnestelsel: de Zon.
Pluto is sinds augustus 2006 officieel geen planeet meer, omdat deze te klein is voor die titel.
Gegevens van de planeten van ons zonnestelsel zijn te vinden in de tabel
Gegevens van de planeten.
|
|
| |
|
planeetbaan
| |
Een planeetbaan is het pad van een planeet om de Zon (in het geval van ons zonnestelsel;
om de centrale ster in het planetenstelsel in het geval van een exoplaneet.
Planeetbanen zijn ellipsen, over het algemeen met een voldoende grote excentriciteit
om niet te kunnen spreken van een cirkelvormige baan. Gegevens van de planeetbanen in ons zonnestelsel zijn te vinden in de tabel
Gegevens van de planeetbanen.
|
|
| |
|
planetenstelsel
| |
Het woord planetenstelsel lijkt me een mooie naam voor het gebied rond een ster waar zich de
planeten en eventueel kleinere objecten bevinden, al suggereert de naam lichtelijk dat er zich
slechts planeten bevinden. Aan de andere kant is dit niet zo'n probleem omdat we kleinere objecten bij andere sterren
in de meeste gevallen toch niet kunnen waarnemen. Het planetenstelsel om de Zon
heet zonnestelsel, en daarmee bedoelen we inderdaad Zon, planeten en kleinere
objecten.
|
|
| |
|
planetoïde
| |
Een planetoïde (letterlijk: kleine planeet) of asteroïde (letterlijk:
kleine ster, dus eigenlijk onjuist) is een klein (minder dan ongeveer 1000km in doorsnede),
rotsvormig planeetje dat om de Zon
draait. Planetoïden hebben meestal een onregelmatige vorm. De twee manen van Mars zijn ingevangen
planetoïden. Net als een planeet kan een planetoïde een maan hebben, zoals bijvoorbeeld
de planetoïde Ida. Een zeer kleine planetoïde, ter grootte van een groot rotsblok of minder, wordt
een meteoroïde genoemd.
|
|
| |
|
precessie
| |
De Aarde draait om haar as, maar de richting waarnaar de aardas wijst is niet constant. De richting van de aardas
zelf maakt in 23.000 jaar een cirkelbeweging van ongeveer 23,5° rond de pool van de ecliptica. Deze
langzame beweging wordt deprecessie der equinoxen, of kortweg precessie genoemd. Aangezien
het systeem van hemelcoördinaten is vastgelegd met de evenaar in hetzelfde vlak als de evenaar van de Aarde,
verschuiven de coordinaten als gevolg van de precessie, waardoor de coördinaten van hemelobjecten met een vaste
positie, zoals bijvoorbeeld de verre quasars, toch veranderen. Een ander gevolg is dat de sterrenbeelden van de
dierenriem iedere 2000 jaar ongeveer één sterrenbeeld opschuiven.
|
| | |
| | |
|
| |
|
radiant
| |
Het punt aan de hemel waaruit de meteoren uit een meteoorzwerm
lijken te komen wordt de radiant genoemd. In werkelijkheid stralen de meteoren niet uit de radiant in alle richtingen,
maar bewegen ze min of meer parallel aan elkaar. Het schijnbare uitstralen wordt veroorzaakt door het perspectief, net als
treinrails die vanuit een punt aan de horizon lijken te komen. Een meteoorzwerm krijgt meestal de naam van het sterrenbeeld waarin de
radiant ligt.
|
|
| |
|
retrograad
| |
1. Een buitenplaneet beweegt retrograad ('terug') tijdens zijn
oppositielus, doordat de Aarde de planeet
in haar baan om de Zon inhaalt. Op het moment dat de beweging van de planeet stopt en omkeert,
is de planeet stationair.
2. Manen van planeten bewegen retrograad om hun planeet, wanneer zij in de richting draaien
die tegengesteld is aan de planeetrotatie.
|
|
| |
|
reuzenplaneet
| |
Zie gasplaneet.
|
|
| |
|
rotsplaneet
| |
Zie aardse planeet.
|
| | |
|
| |
|
satelliet
| |
Een satelliet is een hemellichaam dat om een planeet heen
draait. Een synoniem voor satelliet is maan, hoewel dat woord komt van de Maan, de naam van de enige natuurlijke
satelliet van de Aarde. We spreken van natuurlijke satellieten en kunstmanen, net zoals we van
natuurlijke manen en kunstmanen spreken.
Zie verder maan.
|
|
| |
|
schemering
| |
Het woord schemering heeft in de sterrenkunde een andere betekenis dan die in het dagelijks leven wordt gebruikt.
In de gangbare betekenis van het woord betekent schemering de periode kort (ongeveer een uur) na zonsondergang en kort
voor zonsopkomst. In dat geval is de schemering een korte periode die tweemaal per dag plaatsvindt. Voor een sterrenkundige
begint de schemering echter 's ochtends voor zonsopkomst, en eindigt pas 's avonds na zonsondergang. Dit is dus één
lange periode, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat, die dus ook de gehele periode van daglicht omvat. De schemering
vindt voor een sterrenkundige dus slechts eenmaal per dag plaats, en is de periode waarin het te licht is om de nachthemel
waar te nemen. Sterrenkundigen onderscheiden drie soorten schemering. Van minder naar meer duisternis zijn dat de
burgerlijke schemering, de nautische schemering en
de astronomische schemering. Deze vinden plaats wanneer de Zon respectievelijk minder
dan 6°, minder dan 12° en minder dan 18° onder de horizon staat. De astronomische schemering omvat dus ook
de nautische en burgerlijke schemering. Het deel van het etmaal waarin het niet schemert noemen we de burgerlijke nacht,
nautische nacht, respectievelijk astronomische nacht. In de zomer wordt het in de Benelux niet volledig donker. De Zon staat dan midden
in de nacht minder dan 18° onder de horizon en dus vindt gedurende de gehele nacht de astronomische schemering plaats.
Met andere woorden: er vindt dan dus geen astronomische nacht plaats. Op deze website is informatie over de schemering te vinden in de
interactieve en
niet-interactieve tabellen voor opkomst,
ondergang en schemering, en in de
schemerdiagrammen.
|
|
| |
|
schijngestalte
| |
Zie fase.
|
|
| |
|
seizoen
| |
Een seizoen of jaargetijde is een periode van ongeveer 3 maanden. De seizoenen zijn het best merkbaar
op hogere en lagere breedten, verder van de evenaar. Een seizoen kenmerkt zich door een hogere of lagere stand van
de Zon aan de hemel, en de daarbij behorende hogere of lagere temperatuur en langere of kortere perioden van daglicht.
De vier seizoenen zijn winter, lente, zomer en herfst. Het begin van de seizoenen wordt bepaald door de
equinoxen en solstitia.
Het begin, het einde en de duur van de seizoenen is weergegeven in de tabel
Seizoenen 2000-2050.
|
|
| |
|
slagschaduw
| |
Een slagschaduw wordt in de sterrenkunde vaak kernschaduw of umbra genoemd.
|
|
| |
|
solstitium
| |
Het solstitium of zonnewende is het moment dat de Zon boven de grootste of kleinste breedte op Aarde staat.
Het begin van de zomer, rond 21 juni, is gedefinieerd als het zomersolstitium, het begin van de winter, rond 21 december,
als het wintersolstitium. In Nederland en België staat de Zon tijdens het zomersolstitium in het hoogste punt
(midzomer), tijdens het wintersolstitium in het laagste punt (midwinter). Voor het zomersolstitium klimt de Zon in hoogte,
tijdens het solstitium (Lat: Sol: Zon, sistere: stilstaan) staat de Zon stil, en keer haar bewegingsrichting om.
De solstitia bepalen mede de seizoenen.
De solstitia voor de Aarde zijn weergegeven in de tabel
Seizoenen 2000-2050.
|
|
| |
|
spiraalarm
| |
Een spiraalarm is de lichte, spiraalvormige band in spiraalvormig sterrenstelsel
(spiraalstelsel). Ook ons Melkwegstelsel heeft spiraalarmen.
|
|
| |
|
spiraalstelsel
| |
Spiraalstelsel is de korte aanduiding voor een spiraalvormig sterrenstelsel,
een sterrenstelsel dat meer of minder duidelijke spiraalstructuur vertoont. Deze structuur bevat afwisselend donkere
en lichte banen, de lichte spiraalvormige banen worden spiraalarmen genoemd.
Ons Melkwegstelsel is een spiraalstelsel.
|
|
| |
|
stationair
| |
Een planeet is stationair wanneer de voorwaartse beweging van de planeet ten opzichte van de sterren stopt, om
vervolgens om te keren. De planeet beweegt dan retrograad. Dit gebeurt bijvoorbeeld aan het
begin en einde van een oppositielus.
Gegevens van de de momenten waarop de planeten stationair zijn, zijn te vinden in de tabel
planeetverschijnselen.
|
|
| |
|
ster
| |
Een ster is over het algemeen een gloeiend, gasvormig hemellichaam, dat in zijn eigen
energieproductie voorziet. Helemaal correct is dit niet, omdat de overgang van lichte sterren naar zware
gasplaneten geleidelijk is en dus niet scherp.
Over het algemeen wordt een gasbol die zwaar genoeg is om waterstoffusie in zijn kern te hebben als sterren beschouwd
(zwaarder dan ongeveer 0,08 keer de massa van de Zon). Lichtere sterren die een klein beetje energie produceren (door deuteriumfusie,
maar geen waterstoffusie) worden Bruine Dwergen genoemd. Het bekendste voorbeeld van een ster is natuurlijk de
Zon, de helderste ster aan de hemel na de Zon is Sirius. Grote hemellichamen die om een ster draaien en zelf
geen ster zijn noemen we planeten. Planeten die om een andere ster dan de Zon draaien heten
exoplaneten.
|
|
| |
|
sterrenbeeld
| |
Een sterrenbeeld of constellatie is een denkbeeldige figuur die wordt verkregen door (in gedachten) lijnen te
trekken tussen verschillende heldere sterren. Vaak werden deze figuren vereenzelvigd met karakters uit de (Griekse) mythologie.
Bekend zijn onder andere de sterrenbeelden van de dierenriem.
Zie ook de lijst met sterrenbeelden.
|
|
| |
|
sterrenstelsel
| |
Een sterrenstelsel is een grote verzameling van sterren, gasnevels, stofnevels,
et cetera. Een typisch sterrenstelsel heeft zo tussen de 1 miljard (1.000.000.000) en 1 biljoen (1.000.000.000.000) sterren. Bekend
zijn de foto's van sterrenstelsels met een mooie spiraalstructuur, maar er bestaan ook elliptische en onregelmatig gevormde
sterrenstelsels. Ons zonnestelsel bevindt zich in het sterrenstelsel dat we het
Melkwegstelsel noemen, een vrij groot spiraalstelsel met naar schatting
circa 200 miljard sterren, waar de Zon er een van is. Sterrenstelsels worden vaak ook melkwegstelsels
genoemd, maar feitelijk is dit onjuist (op dezelfde manier als 'sterren' geen 'zonnen' zijn). Een bekend sterrenstelsel is de
Andromedanevel, een groot spiraalstelsel dat zich op circa 2 miljoen lichtjaar van ons Melkwegstelsel
bevindt en met wat moeite met het blote oog kan worden onderscheiden. Op het zuidelijk halfrond zijn met name de onregelmatige
sterrenstelsels de Grote Magelhaese Wolk en de Kleine Magelhaese Wolk opvallend.
|
| | |
| | |
|
| |
|
umbra
| |
De term umbra is latijn voor schaduw en wordt gebruikt voor:
De term umbra staat in tegenstelling tot penumbra.
|
|
| |
|
UT
| |
De afkorting UT staat voor Universal Time (universele tijd). Dit is de tijd die geldt voor de nulmeridiaan, die door
de sterrenwacht van Greenwich, in London, loopt. De UT wordt daarom ook wel Greenwich-tijd of wereldtijd genoemd. De
UT loopt 1 uur achter op de MET en 2 uur achter op de MEZT.
|
| | |
|
| |
|
vallende ster
| |
Zie: meteoor.
|
|
| |
|
volle maan
| |
Volle Maan is de maanfase waarbij de Maan volledig verlicht is. Doordat de
Zon precies één helft van de Maan verlicht, en de Maan om de
Aarde draait, zien we alleen soms de hele verlichte kant van de Maan. Dit noemen we Volle Maan.
Maansverduisteringen kunnen alleen bij Volle Maan voorkomen.
Een tweede Volle Maan in dezelfde maand wordt een Blauwe Maan genoemd.
Zie ook maanfasen.
|
|
| |
|
vuurbol
| |
Een zeer heldere meteoor wordt ook wel een vuurbol genoemd. Officiëel
moet de meteoor hiervoor helderder zijn dan de planeet Venus.
|
| | |
|
| |
|
wintertijd
| |
De wintertijd is de standaard-tijdzone die in landen op hogere geografische breedte geldt tijdens de periode
die ruwweg van de herfst tot de lente loopt. In de overige maanden geldt in deze landen dan de zomertijd.
In de Benelux geldt 's winters de MET.
Zie ook: Begin en einde van de zomertijd 1977-2049.
|
| | |
| | |
| | |
|
| |
|
zenit
| |
Het zenit is de naam voor het punt aan de hemel dat zich recht boven je hoofd bevindt. Het zenit heeft dus een
hoogte boven de horizon van negentig graden (90°). Er staat geen vaste ster
in het zenit, dit hangt af van de plaats op Aarde, de datum en de tijd. Het punt recht tegenover het zenit wordt het
nadir genoemd.
|
|
| |
|
zodiak
| |
Zie: dierenriem.
|
|
| |
|
zomertijd
| |
De zomertijd is de tijdzone die in landen op hogere geografische breedte geldt tijdens de periode
die ongeveer van de lente tot de herfst loopt. Gedurende deze periode wordt de klok 1 uur vooruit gezet
ten opzichte van de standaardtijd, die in dat geval ook wintertijd wordt genoemd. Op die
manier is het 's avonds langer licht en kan er energie worden bespaard op bijvoorbeeld verlichting.
Op dit moment (2006) begint de zomertijd in de E.U. op de laatste zondag van maart en eindigt op de laatste
zondag van oktober. In landen dichter bij de evenaar geldt meestal geen zomertijd, omdat het effect van de
seizoenen (zoals lange zomeravonden) daar (veel) geringer is. In de Benelux geldt 's zomers de MEZT.
Zie ook: Begin en einde van de zomertijd 1977-2049.
|
|
| |
|
zon
| |
De Zon is de centrale (en enige) ster van ons zonnestelsel
en bevat circa 99,99% van zijn massa. Doordat de Zon veel zwaarder is dan enig ander object in ons zonnestelsel,
bewegen alle andere objecten in het zonnestelsel om de Zon. De Zon is het enige object in ons zonnestelsel dat
zelf licht produceert, de andere hemellichamen reflecteren slechts zonlicht.
De Zon heeft een diameter van ongeveer 1,4 miljoen km (ruim 100 keer zo groot als de Aarde) en een oppervlaktetemperatuur
van circa 5500°C. De lichtkracht van de Zon is circa 4×1026 Watt, ofwel 400.000.000.000.000.000.000.000.000 Watt.
Op het oppervlak van de Zon zijn regelmatig donkere zonnevlekken te zien.
|
|
| |
|
zonnestelsel
| |
Met het zonnestelsel wordt de Zon bedoeld, met "alles wat daarbij hoort", dat wil
zeggen, alle hemellichamen die door de zwaartekracht aan de Zon zijn gebonden:
planeten,
manen, planetoïden, meteoroïden en
kometen. In feite zijn al deze hemellichamen de 'restanten' die zijn overgebleven van
het ontstaan van de Zon. Andere sterren kunnen net als de Zon planeten hebben, en
waarschijnlijk ook hele 'zonnestelsels', die we dan waarschijnlijk planetenstelsels
zouden moeten noemen.
|
|
| |
|
zonnevlek
| |
Een zonnevlek is een (relatief) klein, donker gebiedje op het oppervlak van de Zon.
Een zonnevlek ontstaat wanneer het oppervlak van de Zon lokaal afkoelt van de normale temperatuur van circa 5500°C
tot ruwweg 4500°C. Dit is nog steeds erg heet, maar 'koeler' dan de omgeving, waardoor dit gebiedje op het
zonne-oppervlak minder licht uitzendt en dus donker afsteekt tegen de fellere omgeving. De kern van een zonnevlek
is het koelst en dus het donkerst. Deze kern wordt aangeduid met de term umbra. Rondom de
umbra bevindt zich meestal een gebiedje dat minder afgekoeld is en dus minder donker. Dit wordt de penumbra
genoemd. Zonnevlekken hebben typisch diameters van enkele honderden tot enkele duizenden kilometers, en bestaan normaalgesproken
enkele uren (voor de kleinere vlekken) tot enkele dagen of zelfs weken voor de grotere vlekken. De zonnevlekken
ontstaan door de magnetische activiteit van de Zon, die ook uitbarstingen veroorzaakt. Deze activiteit, en dus ook
het aantal zonnevlekken, kent een periode van circa 11 jaar. In 1997 en 2008 vond een minimum plaats in het aantal
zonnevlekken.
|
|
| |
|
zonsverduistering
| |
Bij een zonsverduistering of zonne-eclips schuift de Maan tussen de Aarde en de Zon, zodat
de Zon vanaf de Aarde gezien wordt afgedekt. We spreken van een gedeeltelijke zonsverduistering wanneer
slechts een deel van de Zon wordt afgedekt, van een totale zonsverduistering wanneer de gehele
zonneschijf wordt verduisterd (en de Maan dus midden voor de Zon staat) en van een ringvormige
zonsverduistering wanneer de Maan midden voor de Zon staat, maar te klein is om de gehele Zon af te
dekken, zodat er nog een ringetje van zonlicht zichtbaar is. Totale en ringvormige zonsverduisteringen
worden samen centrale zonsverduisteringen genoemd. Een gedeeltelijke zonsverduistering is vaak vanaf
een groot deel van de Aarde zichtbaar, terwijl een centrale eclips meestal alleen vanaf een lange, smalle
strook op Aarde te zien is. Een zonsverduistering vindt altijd plaats bij Nieuwe
Maan, maar, door de inclinatie van de maanbaan, niet bij iedere Nieuwe Maan.
Beknopte gegevens voor zonsverduisteringen zijn te vinden in de tabel
Zonsverduisteringen in Nederland en België, 2000-2099,
details in de tabel
Zonsverduisteringen in Nederland en België, 2000-2009.
Zie ook: Hoe ontstaat een zonsverduistering?
|
|
| |
|
| |
|